• banner1

Zien

Meteen daarna gelastte hij de leerlingen in de boot te stappen en alvast vooruit te gaan naar de overkant, hij zou ook komen nadat hij de mensen had weggestuurd. Toen hij hen weggestuurd had, ging hij de berg op om er in afzondering te bidden. De nacht viel, en hij was daar helemaal alleen. De boot was intussen al vele stadiën van de vaste wal verwijderd en werd, als gevolg van de tegenwind, door de golven geteisterd. Tegen het einde van de nacht kwam hij naar hen toe, lopend over het meer. Toen de leerlingen hem op het meer zagen lopen, raakten ze in paniek. Ze riepen: 'Een spook!' en schreeuwden het uit van angst. Meteen sprak Jezus hen aan: 'Blijf kalm! Ik ben het, wees niet bang!' Petrus antwoordde: 'Heer, als u het bent, zeg me dan dat ik over het water naar u toe moet komen.' Hij zei: 'Kom!' Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij voelde hoe sterk de wind was, werd hij bang. Hij begon te zinken en schreeuwde het uit: 'Heer, red me!' Meteen strekte Jezus zijn hand uit, hij greep hem vast en zei: 'Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?' Toen ze in de boot stapten, ging de wind liggen. In de boot bogen de anderen zich over hem neer en zeiden: 'U bent werkelijk Gods Zoon!' - Matteüs 14: 22-33

Dit evangeliegedeelte gaat in wezen niet over wandelen op het water. Het gaat niet over een wonder, over een heel indrukwekkende tovertruc van Jezus. Dit evangelie gaat wel over wie Jezus is en over geloof en twijfel. Maar vooral gaat het evangelie hier over zien, over kijken: waar kijk je heen? Waar richt je je blik op? Het evangelie vanmorgen gaat vooral over zien - en over gezien worden.

Jezus en zijn leerlingen zijn aan het Meer van Gennesaret. Jezus heeft net een wonder gedaan en met een paar broden en vissen een grote menigte verzadigd. Inmiddels is de avond al aangebroken. En Jezus wil even alleen zijn. Zijn leerlingen stuurt hij weg, naar de overkant van het meer, in een boot. Jezus trekt zich terug. Hij gaat een berg op, dichter bij de hemel, dichter bij God. En daar praat hij met zijn hemelse Vader en bidt.

Terwijl Jezus in hogere sferen verkeert, hebben zijn leerlingen beneden op het meer tegen heel aardse moeilijkheden te vechten. Niet alleen dat ze midden in de nacht, in donkerheid moeten varen, waar je geen hand voor ogen kunt zien. Neen: een storm komt op en de kleine boot slingert heen en weer. De leerlingen hebben geen controle meer over het schip. De reddende oever is ver en het meer is diep. De golven teisteren de kleine boot. En hoe hoger de golven, hoe groter de angst van de leerlingen. Ze zijn bang. Natuurlijk zijn ze bang. Het zijn gewone mensen.

Trouwens, wij herkennen dat. De situatie van de leerlingen is onze situatie. Niet letterlijk in de zin dat we in een boot zitten die zich in zeenood bevindt. Maar figuurlijk. De angst, de zorgen, het verlies van controle, problemen die over je heen slaan zoals de golven over het schip, dát herkennen we. Heel corona is een ervaring van iets wat je niet in de greep hebt, waar je aan iets uitgeleverd bent. Maar iedereen herkent dat ook in zijn eigen persoonlijke leven: er zijn fases waarin de boot van je leven rustig vaart, de zon schijnt en een frisse wind waait. Maar we kennen allen ook tijden waarin het donker is en de golven hoog zijn, waar geen uitweg, geen redding te zien is. Waar we bang en onrustig zijn, waar de ziel geen vrede vindt. En ook kerkgemeentes herkennen dat: onze gemeentes zijn klein, kwetsbaar, de toekomst is onzeker, we vechten, we doen ons best, maar eigenlijk zijn we kleine zeilbootjes op een groot en woelig meer.

De leerlingen in het evangelie vechten. Urenlang gaat dat zo. Tot de morgen aanbreekt. In de bijbel is dat vaak de tijd waar God komt en helpt. Op de overgang van nacht en dag, in de schemering tussen donker en licht. Op dat moment schiet God de Israëlieten in de Rietzee te hulp toen ze uit Egypte vluchtten en de soldaten van de farao achter hun aan jaagden. Op datzelfde moment tussen nacht en dag zal later op paaszondag ook de opgestane Christus aan de vrouwen verschijnen.

En ook nu komt hulp eraan. Van boven, van de berg, van dicht bij God, komt Jezus naar beneden, naar zijn leerlingen toe. En dat op een heel bijzondere manier: hij loopt over het meer. Bij dat lopen op het water gaat het over meer dan over een wonderbaarlijk vermogen van Jezus. Neen, in dat lopen over het meer zit een diepe symbolische betekenis. Want in het Oude Testament staat water voor chaos, voor kwade machten, voor alles wat het leven bedreigt. Denk aan Noach en de grote vloed! Ook in het scheppingsverhaal is in het begin overal water. Pas als God dat water beperkt, ontstaat er een ruimte waar mens en landdieren kunnen leven. Water, dat is chaos, gevaar, dood. Water, dat staat voor alles wat het leven bedreigt. En Jezus, nou die staat letterlijk boven die boze machten: hij loopt op het water. Jezus laat zien dat hij sterker is dan de kwade machten. Hij laat zien dat hij groter is dan wat het leven en het geluk kapot maakt.

"Blijf kalm! Ik ben het, wees niet bang", zegt hij tegen zijn leerlingen. Hij wil rust brengen, kalmte in de chaos, zekerheid in woelige tijden. De leerlingen zien hem, ze kijken hem aan. En zijn kracht wordt hun kracht. Zijn rust wordt hun rust. Ze worden kalm. Ze zijn niet meer bang.

Zoveel rust, vertrouwen, zekerheid is er opeens dat Petrus het aandurft om zelf over het water te lopen. Hij stapt uit de boot en hij kijkt naar Jezus. Ik zei het al: in dit verhaal gaat het om zien. Zijn blik is op Jezus gericht, hij kijkt Jezus aan, hij ziet Jezus en hij begint te lopen, naar Jezus toe. En het lukt.  Ook Petrus loopt over het water. Ook hij staat nu letterlijk boven het water, hij staat boven chaos, gevaar en dood. De teisterende storm, de hoge golven, Petrus heeft er geen oog meer voor. Petrus ziet naar Jezus en hij loopt over het water. Jezus' kracht wordt zijn kracht. Jezus' kalmte wordt zijn kalmte.

Tot hij op één moment onvoorzichtig is. Petrus kijkt weg van Jezus. Hij kijkt weer naar de golven die de boot heen en weer schudden. Hij ziet dat en wordt weer bang. Het beeld dat hij ziet, heeft hem in de greep. Wat hij ziet, bepaalt wat hij voelt. De blik gericht op Jezus, brengt zekerheid en rust. De blik gericht op de golven en de storm, brengt angst en wanhoop. Petrus zinkt, hij zinkt in het meer. Het water grijpt naar hem. Hij dreigt ten onder te gaan in de golven. Hij dreigt ten onder te gaan in al wat het leven zo moeilijk maakt.

Maar gelukkig gaat niet alleen om zien. Het gaat ook om gezien worden. Petrus kijkt van Jezus weg. Maar Jezus blijft Petrus aankijken. Petrus mag wel Jezus niet meer zien, maar Jezus ziet Petrus. In de bijbel vind je vaak personages die God uit het oog verliezen. Ze gaan weg van hem, ze willen hun eigen weg kiezen, weg van God. Ze keren hem de rug toe, ze kijken niet meer naar hem. Maar God blijft ze in het oog houden. Hij ziet ze, hij ziet naar ze om. Zo is het ook hier.

'Heer, red me!', schreeuwt Petrus. En Jezus, nog steeds lopend op het water, ziet de nood van Petrus. Hij grijpt zijn hand en haalt hem eruit.

De situatie van de leerlingen is onze situatie. Niet letterlijk in die zin dat we in een boot zitten die zich in zeenood bevindt. Eerder figuurlijk. De angst, de zorgen, het verlies van controle, problemen die over je heen slaan als de golven over het schip. We herkennen deze situatie, wij als individu's, wij als gemeentes. De vraag is: waar kijken wij heen? Waar richten wij onze blik op? Kijken we naar de problemen die ons bang maken? Of kijken wij naar Jezus en zijn Vader die ons altijd ziet, die ons nooit uit het oog heeft verloren en die omziet naar ons? Kijken wij naar wat ons bang maakt, of naar wie ons rust geeft?

Dit evangelieverhaal is geen wonderverhaal. Het is een verhaal over zien en gezien worden.

ds. Stefan Gradl

09/08/2020

Delen is vermenigvuldigen

Toen Jezus hiervan hoorde, week hij per boot uit naar een afgelegen plaats waar hij alleen kon zijn. Maar de mensen kwamen het te weten, en vanuit de steden volgden ze hem over land. Toen hij uit de boot stapte en de grote menigte zag, voelde hij medelijden met hen en hij genas hun zieken. | Bij het vallen van de avond kwamen de leerlingen naar hem toe en zeiden: ‘Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. Stuur de mensen weg, laat ze naar de dorpen gaan om eten voor zichzelf te kopen.’ Maar Jezus zei: ‘Ze hoeven niet weg, geven jullie hun maar te eten.’ Ze antwoordden hem: ‘We hebben hier niets, alleen vijf broden en twee vissen.’ Hij zei: ‘Breng ze mij.’ En nadat hij de mensen opdracht had gegeven op het gras te gaan zitten, nam hij de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het zegengebed uit en brak de broden; hij gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze door aan de mensen. Iedereen at en werd verzadigd, en toen ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze twaalf manden vol. Er hadden ongeveer vijfduizend man gegeten, vrouwen en kinderen niet meegeteld. - Matteüs 14:13-21

Vijf broden en twee vissen die op een geheimzinnige manier meer worden, als een schepping uit het niets. Voor veel mensen zijn het verhalen zoals dit die maken, dat ze er niet meer in kunnen geloven. Dat heel die blijde boodschap van het Christendom hun te veel wordt, en dat ze daarom afscheid nemen van geloof en kerk omdat die in hun ogen gebouwd zijn op ‘heilloze bakerpraat en verzinsels’ (1 Timoteüs 4:7). In het midden van de vorige eeuw ontstond er een stroming onder theologen die dat probleem serieus wenste te nemen. Zij zagen de oplossing erin om alle mythologische taal uit de Bijbel te verwijderen. Dat was immers in hun ogen niet meer dan een manier van spreken, een verpakking om de eigenlijke boodschap heen. En in onze moderne tijd werkt zo’n verpakking eerder contraproductief. De naam van Rudolph Bultmann blijft onlosmakelijk met deze stroming verbonden. Zo’n onderneming past ook goed bij de manier waarop wij intussen naar de wereld hebben leren kijken. De verwondering heeft plaats gemaakt voor een steeds groeiend vermogen om de dingen te begrijpen.

En wat begonnen is als een wetenschappelijke methode, namelijk om te proberen om alle verschijnselen te verklaren zonder daarbij direct een beroep te doen op een hogere macht, leidde van lieverlee tot een wereldbeeld waarin geen plaats meer was voor God. De oppervlakkige waarneming, de reductie van de werkelijkheid tot dat wat kan worden gezien en gemeten, onttoverde onze werkelijkheid en beroofde ons van de relatie met God en met elkaar die als een schat onder de oppervlakte verborgen ligt. Begrijp me niet verkeerd: het is me er niet om begonnen om de resultaten van de wetenschap verdacht te maken. Het is immers geen pretje om te leven in een wereld waarin je hulpeloos aan de grillen van allerlei goddelijke machten bent overgeleverd. De verklaring van onweer als het gevolg van elektrische ladingen in de wolken, maakt ons minder angstig dan de gedachte aan een god die in zijn woede de mensen wil straffen voor een fout waarvan zij zich niet bewust zijn. Maar dat is ook niet de God die ons vanuit de Bijbel wordt verkondigd.

Als het er op aankomt, is de Bijbel de eerste die aan ‘ontmythologisering’ doet. Als je het eerste verhaal leest, van het ontstaan van hemel en aarde, dan lees je als moderne mens gemakkelijk over de aanstootgevende details heen. Maar om het op te schrijven zoals het er staat, met een God die alles schept om aan de mens een leefbare wereld te geven, die zon en maan en sterren opprikt aan het hemelgewelf en die aan zee en land hun grenzen toewijst, daarmee toon je een - in die tijd - verontrustend gebrek aan respect voor al die andere machten en krachten die in de omringende landen als goddelijk werden aanbeden. De zon is niet een god die angst moet inboezemen omdat hij je kwaad wil doen en de maan evenmin - ze zijn niet meer dan lichtjes aan de lucht die helpen om de tijd te meten. Natuurlijk, in het Scheppingsverhaal verdwijnen niet alle goden achter de horizon. Eentje blijft er over, de Levende, de Heer, die God die hart voor mensen heeft en niets liever wil dan dat zij vrij zijn.

Dat merk je ook in het tweede verhaal dat ik als voorbeeld wil aanhalen, de geschiedenis van de doortocht door de Rietzee. Als het volk Israël door de Heer is uitgeleid uit het Egyptische slavenbestaan, en dan vastloopt op het water van de Rietzee, de legers van de Farao in de rug, dan gebeurt daar een wonder als het water splijt en ze over droge grond naar de overkant kunnen trekken. Maar de Bijbel zelf geeft daar een dubbele oorzaak voor aan: de Heer liet de zee terugwijken door gedurende de hele nacht een krachtige oostenwind te laten waaien (Exodus 14:21). Als natuurkundige verklaring wordt de wind aangewezen, maar daarachter ziet de bijbelschrijver de hand van God. Het is niet altijd òf-òf. Ook achter dingen die heel goed wetenschappelijk te verklaren zijn, kun je soms de hand zien van die God die mensen nabij is. Het is niet nodig om alleen die dingen aan God toe te schrijven die anders niet te begrijpen zijn - dan is het geen wonder als er hoe langer hoe minder ruimte voor Hem in ons wereldbeeld overblijft en Hij hoe langer hoe verder naar de rand van onze werkelijkheid schuift, totdat Hij tenslotte achter de horizon verdwijnt. Maar ook het omgekeerde gaat in mijn ogen niet op: dat je alles wat zich niet wetenschappelijk laat uitleggen als vrome fantasie moet afdoen en als een onmogelijkheid uit de Bijbel moet schrappen. Dan houd je niet veel meer dan een moralistisch geschrift over, dat probeert om mensen vooral braaf te laten zijn en hun fatsoen te laten houden.

Dat alles heeft consequenties voor hoe je bovenstaande schriftlezing leest en uitlegt. Een ontmythologiserende uitleg zal er de nadruk op leggen dat daar toch - volgens Matteüs uit handen van Jezus’ leerlingen - vijf broden en twee visjes waren, en dat dat gebaar van delen zo aanstekelijk werkte, dat alle anderen die voedsel mee hadden dat er ook bij legden. En dan kom je uit op een boodschap als van Leef58.nl, naar Jesaja 58, gericht op armoedebestrijding vanuit een christelijke inspiratie.

Maar ik geloof dat de Bijbel ons er meer mee wil zeggen dan dat we vooral met elkaar moeten delen. Het heeft te maken met de manier waarop God met mensen wil omgaan. Met de manier waarop Hij Zijn Koninkrijk op aarde gestalte geeft. Dat ligt in de lijn van die verhalen waar ik al eerder naar verwees, van de schepping van een aarde waarop het leven goed is, van de bevrijding van alle machten die knechten en onderdrukken. Dat ligt in de lijn van de verhalen van overvloed die we ook in het Eerste Testament al lezen, rond Elia en Elisa (2 Koningen 4:42 e.v.). God biedt ons de mogelijkheid om daarin mee te gaan. Hij maakt gebruik van onze mogelijkheden, hoe beperkt en feilbaar wij ook zijn. Keer op keer mislukken wij in onze opzet om de wereld te verbeteren en een goede toekomst te scheppen. Maar als we onze kleine bijdrage de Heer in handen geven, vult Hij aan wat ons ontbreekt, totdat we in een geheelde wereld leven. Hij roept ook ons op, in het verlengde van Zijn leerlingen, om de mensen te eten te geven. Wij spelen een rol in het wonder dat Hij bezig is tot stand te brengen, het wonder van een nieuwe aarde, een Koninkrijk van recht en vrede. Dat is niet een zaak van of-of, rijk van God of wereld van mensen, mirakel of mensenwerk. Onze inzet is bruikbaar voor God. Van ons wordt niet het onmogelijke gevraagd, alleen de grondstoffen waarmee God aan het werk kan om deze wereld leefbaarder te maken, menswaardiger. Wij hoeven alleen ons kleine steentje bij te dragen, waarmee Hij verder kan bouwen. Zodat straks iedereen echt reden heeft om Hem dankbaar te zijn voor de overvloed die Hij ons wil bieden.

ds. Jelle Brouwer

02/08/2020