• banner1

Lazarus… bevrijd opnieuw beginnen

Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar Maria en haar zuster Marta woonden – dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer. De zusters stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’ Toen Jezus dit hoorde zei hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’ — Toen Jezus daar aankwam, hoorde hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. Betanië lag dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie, en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was. Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. Marta zei tegen Jezus: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat God u alles zal geven wat u vraagt.’ Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ ‘Ja,’ zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’ Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ ‘Ja Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat u de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zuster Maria apart en zei: ‘De meester is er, en hij vraagt naar je.’ Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe, die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Marta hem tegemoet was gekomen. Toen de Joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te weeklagen.Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en hem zag, viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’ Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren weeklaagden, en dat ergerde hem. Diep bewogen vroeg hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’ Jezus begon ook te huilen, en de Joden zeiden: ‘Wat heeft hij veel van hem gehouden!’ Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een blinde geopend, hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?’ Ook dit ergerde Jezus. Hij liep naar het graf, een spelonk met een steen voor de opening. Hij zei: ‘Haal de steen weg.’ Marta, de zuster van de dode, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’ Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?’ Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek hij omhoog en zei: ‘Vader, ik dank u dat u mij hebt verhoord. U verhoort mij altijd, dat weet ik, maar ik zeg dit ter wille van al die mensen hier, opdat ze zullen geloven dat u mij gezonden hebt.’ Daarna riep hij: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ De dode kwam tevoorschijn, zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, en zijn gezicht bedekt door een doek. Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat hem gaan.’ - Johannes 11:1-4,17-44.

Een bijzondere tekst op weg naar Pasen, woorden die, te midden van de dood, leven voor ogen houden. We staan in deze veertigdagentijd stil bij de bron van ons geloof, op weg naar Pasen, de kern van ons geloof. En vandaag, met deze teksten, wordt reeds duidelijk waar het om gaat: leven dat de dood overwint. Leven en dood, fundamenteler kan het bijna niet, om daar bij stil te staan. Maar het is misschien een thema waar we niet willen bij stil staan. Natuurlijk heel wat om dat voorgeschoteld te krijgen. Dat vraagt behoorlijk wat aandacht en ook de wil om echt te horen wat er staat.

Maar laten we eerst even kijken naar een nog oudere tekst over de doden.

Ik werd opnieuw door de hand van de Heer gegrepen. Zijn geest voerde mij mee en hij zette mij neer in een dal vol beenderen. Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo zag ik dat er verspreid over het dal heel veel beenderen lagen, die helemaal waren uitgedroogd. De Heer vroeg mij: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ik antwoordde: ‘Heer, mijn God, dat weet u alleen.’ Toen zei hij: ‘Profeteer, en zeg tegen deze beenderen: “Dorre beenderen, luister naar de woorden van de Heer! Dit zegt God, de Heer: Beenderen, ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen, en jullie zullen beseffen dat ik de Heer ben.”’ Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. Zodra ik dat deed hoorde ik een geluid, er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneen voegden. Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok, maar ademen deden ze nog niet. Toen zei hij tegen mij: ‘Profeteer tegen de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tegen de wind: “Dit zegt God, de Heer: Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven.”’ Ik profeteerde zoals hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte. En hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, deze beenderen zijn het volk van Israël. Het zegt: “Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden.” Profeteer daarom en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de Heer: Mijn volk, ik zal jullie graven openen, ik laat jullie uit je graven komen en ik zal jullie naar het land van Israël terugbrengen. Jullie zijn mijn volk, en jullie zullen beseffen dat ik de Heer ben als ik je graven open en jullie uit je graven laat komen. Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen, ik zal jullie terugbrengen naar je land, en jullie zullen beseffen dat ik de Heer ben. Wat ik gezegd heb, zal ik doen – zo spreekt de Heer.”’ - Ezechiël 37:1-14.

Wat een contrast tussen het “Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen” dat de mensen bij Ezechiël zeggen, en Jezus’ “Wie in mij gelooft, zal leven, ook wanneer hij sterft” dat we eerder bij Johannes lazen.

Geloof je dat? Ja, dat willen we geloven. Maar wat bedoelt de Schrift hier met dood en leven. Hoe kun je leven wanneer je toch sterft? Dan gaat het niet om de lente en de zon, de natuur die weer tot bloei komt, zolang we genoeg geduld hebben. Nee, wanneer de Schrift spreekt over dood en leven, gaat het om iets heel anders. Ook wanneer we sterven zullen we leven, dat is de boodschap van Jezus.

Om te begrijpen waarover het hier gaat, is het niet enkel goed om te weten wat Jezus nu bedoelt met zijn woorden, maar ook om te beseffen hoe wij die woorden vandaag horen.

Misschien net als Martha: “Als u hier was geweest Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn.”  (Johannes 11:21). Als je er vroeger was geweest, dan hadden we de dood van Lazarus niet onder ogen moeten zien. En dat ergert Jezus.

Misschien kijken we vandaag even graag weg van de dood als Martha. We willen niet sterven. Waarom wachtte Jezus vier dagen? Wel, niet om zijn macht te tonen, maar allereerst om iedereen te doen beseffen, dat de dood bij het leven hoort. Om iedereen te doen beseffen: God neemt de dood serieus en wil die niet zomaar ontkennen en wegvegen.

Vandaag leven we met het idee dat we de dood kunnen ontlopen. Leven en dood, beiden zijn een medisch probleem geworden, tenminste, zo gaan velen ermee om. Mensen van veertig en vijftig willen er twintig uitzien. Het besef van eindigheid, dat toch ten diepste bij ons menszijn hoort, wordt ontkend, verdaagd, zo lang mogelijk uitgesteld, weggestopt in ziekenhuizen. We zoeken naar wetenschappelijke en medische oplossingen om de dood zo lang als het kan uit te stellen of zelfs voor altijd op te lossen. Net als de dood is het leven een medisch probleem geworden: ben je ziek, ga naar de dokter; ben je ongelukkig, ga naar de dokter; voel je je leeg, worstel je met zinloosheid, ga naar de dokter.

Wat heeft, in zo’n cultuur, de Schrift nog te zeggen over leven en dood? Wat zeggen wij, wanneer we mensen horen klagen: onze hoop is vervlogen? Ga naar de dokter?

Voor we horen wat het Evangelie, wat Christus ons wil zeggen, is het goed om te beseffen dat de dood een grens is die bij het leven hoort. Dat de dood niet zomaar een medisch probleem is dat opgelost moet worden, dat leven niet zinloos is omdat we sterven, dat wanhoop en verdriet ook geen op te lossen medische problemen zijn, dat dit alles ten diepste bij ons hoort.

Hoe we onze eigen eindigheid vandaag beleven, het leven willen verlengen, leven en dood zien als op te lossen problemen, bepaalt ook hoe we omgaan met leegte, wanhoop en verdriet. Hoe verder we de dood en daarmee ook het verdriet ontkennen en wegstoppen, hoe verder we ook tegenslagen en verlamming en duisternis uit onze levens willen bannen met soms te goedkope hoera-berichten. Hoe meer we afdwalen van wat leven ten diepste is, hoe meer we de dood vooruitschuiven, hoe minder behoefte we hebben om het leven dat we leiden betekenisvol en bewust te leven in al zijn beperkingen.

Christus is niet gekomen om voor altijd de dood teniet te doen door hem te ontkennen en te ontlopen. Dat beseffen wij, dat weten we. Hij neemt de dood serieus, hij huilt met ons mee, maar spreekt van leven: “En Jezus zei: Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft…Geloof je dat?” (Johannes 11: 25) .

Wat is leven, waarom leven wij, hoe leven wij? Dat zijn de vragen waar Johannes, waar Jezus wil op ingaan. Vandaag horen we reeds wat leven in Bijbelse zin kan betekenen. Wat opstanding dus, voor ons kan betekenen. En de boodschap is dus niet: al wat samenhangt met de dood, de grenzen en beperkingen van het leven, de wanhoop en het verdriet ontkennen. “Kom maar kijken Heer”, en hij komt kijken naar Lazarus graf, en huilt, samen met ons, diep bewogen. Lazarus zit opgesloten in de duisternis van het graf, van wat leven tegenspreekt, onmogelijk maakt, ten diepste kan beëindigen.

Maar wat is dan het goede woord dat op dat moment klinkt? Het besef dat je zonder een gebroken leven serieus te nemen, ook leven uit Gods hand niet serieus kunt nemen.

Kom kijken. Wat we zien is Lazarus, een man die zich overgaf aan de stilte van het graf, zonder antwoorden te vinden, die vastliep, die ging liggen. Kom kijken Heer, naar ziekte, onrecht, verdriet, zinloosheid, leegte. En, zegt Martha, ik geloof, Heer, dat wij aan het einde van de tijd zullen opstaan. Maar wat nu dan? Wat met mijn broer? Wat met jouw vriend? Wat doe je er nu aan? Wat doet God met wie huilt in wanhoop? Wat met al die dood om ons heen? Wat nu?

Maak de doeken los en laat hem gaan! Want ik ben de opstanding en het leven, nu, vandaag, niet morgen.

Het is niet alleen Lazarus die opstaat, ook Martha staat op. Het gaat om haar vragen, haar verdriet. En Hij vraagt haar niet naar het verleden te kijken, naar het schaakmat van de dood, naar al wat leven onmogelijk maakt, tot zwijgen brengt. Nee, als je gelooft is Gods grootheid niet daar te vinden, ook niet in de toekomst; hij troost haar niet met een ‘wacht maar, het komt goed’, maar neen, nu, vandaag, is er voor jouw broer een nieuw begin, kan hij opstaan uit zijn graf. De doeken die hem vasthielden, zullen losgemaakt worden en hij zal opnieuw, nieuw leven.

Uit welke graven moeten wij opstaan? Dat is de vraag die hier gesteld wordt. Wees bewust van al wat het leven vandaag tegenspreekt. Besef dat Christus zijn blik daarvan niet afwendt, en weet dat Gods grootheid te vinden is in de vernieuwing van het leven, hier en nu, vandaag. Het is niet enkel Lazarus die opstaat, maar ook Martha.

Stel je voor dat je opnieuw zou kunnen beginnen, dat al wat je bindt, vasthoudt, verduistert, dat dit wegvalt… al waar je om hebt gehuild, waar je spijt van hebt, al die gedachten die om je hart en je hoofd zitten als een strakke doek die je blind maakt voor de toekomst, die je doet vastzitten, die je doet denken ‘ik kan maar beter gewoon wachten, blijven zitten, ik kan er niets meer aan doen’. Hoeveel mensen om ons heen sluiten zich op, hun blik afgewend van hoop, van licht, van leven?

Tegen al wie zegt: ‘ik heb niets meer om te verliezen, zelfs mijn leven niet’, zegt Christus en wij met hem: ‘sta op en leef’!

Wie wil nu niet opnieuw beginnen, om je bevrijd te weten van al wat er fout ging, door jezelf of anderen, en opnieuw te beginnen? Dat is wat hier aangeboden wordt. Dat is wat God ons in de handen geeft als gelovigen. Dat heet opstanding.

Lazarus staat voor al wie zich aan het duister overgeeft, de mens die zichzelf kwijt is in leegte, al wie geen andere uitweg meer ziet dan wanhoop. Martha staat voor al wie met hen huilt en God vraagt: waar ben je? waar was je? kom dan kijken!

Geloven in de opstanding, is geloven in het leven, is horen naar het woord van Christus voor Martha en voor ons die staan rondom al wie opgesloten zit in duisternis, gebonden aan handen en voeten: maak hun doeken los, en laat hen gaan.

Amen.

Ds. Edwin Delen

29/02/2020

Genezing van de blindgeborene

Het volk dat in duisternis ronddoolt, ziet een schitterend licht. Zij die in het donker wonen, worden door een helder licht beschenen. – Jesaja 9:1

“Het volk dat in duisternis ronddoolt…” Met die eeuwenoude woorden van Jesaja zouden we vandaag, na de wereldwijde aardschok die het coronavirus heeft veroorzaakt, de situatie van de wereldbevolking kunnen typeren. De epidemie is tot pandemie geworden en ook daarnaast kost het zichtbaar weinig moeite om overal ‘tekenen van duisternis’ aan te wijzen: geo-politieke spanningen, oorlogen, vluchtelingenstromen, klimaatopwarming, stijging van de zeespiegel, branden in grote delen van Australië en het Amazonewoud, extreem ongelijke verdeling van aardse rijkdommen…

En naast de opmars van de pandemie lijkt ook de opmars van angst en vrees deze dagen te regeren. Mensen beginnen massaal te hamsteren, en al even massaal worden berichten gedeeld van schrikwekkende coronastatistieken en -reportages.

“Vannacht kon ik er niet van slapen” liet een collega-leerkracht mij deze week weten, nadat zij een niet zachtzinnig, noch mis te verstaan artikel had gelezen over het nieuwe griepvirus dat als een losgebroken tsunami op ons afstormt. Toevallig had ik hetzelfde artikel gelezen en of het nu kwam door de inhoud (ongetwijfeld) of door het late uur (niet verstandig: in bed, vlak voor het slapen!), ook mijn slaperigheid was daarbij spoorslags verdwenen. Klaarwakker begon het in mijn hoofd te spoken: … ja, sommige van mijn familieleden behoren, net als ikzelf, tot de risicogroep; ja, ik loop al naar de zeventig, en heb een astmaverleden en chronische hoge bloeddruk; ja, de coronastatistieken schieten de lucht in; ja, er is nog geen vaccin; ja, het virus is extreem besmettelijk; ja, ik moest daarstraks tot mijn schrik een paar keer hoesten en ja, ik ben al bang voor die kriebel in mijn keel… enzovoort. Het spook van de angst begon zijn staart te roeren.

Nee, dit wordt geen aansporing om niet bang te zijn. Bang zijn we vrijwel allemaal. En niet zonder reden! Daarbij komt dat angst tot ons wezen behoort. Het maakt ons alert voor allerlei gevaar. Het verhaal van de genezing van de blindgeborene in de Bijbel, is echter wel een aansporing om naast het duister, ook oog te krijgen voor het licht. Voor tekenen van hoop en uitkomst. Anders wordt niet alleen het object van de angst, het dreigende gevaar, maar ook de angst zelf een probleem. Dan gaat de angst als het ware als een besmettelijk virus zichzelf vermenigvuldigen.

In het voorbijgaan zag Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was. Zijn leerlingen vroegen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ ‘Hij niet en zijn ouders ook niet,’ was het antwoord van Jezus, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden. Zolang het dag is, moeten we het werk doen van hem die mij gezonden heeft; straks komt de nacht en dan kan niemand iets doen. Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht voor de wereld.’ Na deze woorden spuwde hij op de grond. Met het speeksel maakte hij wat modder, hij streek die op de ogen van de blinde en zei tegen hem: ‘Ga naar het badhuis van Siloam en was u daar.’ (Siloam is in onze taal ‘gezondene’.) De man ging weg, waste zich, en toen hij terugkwam kon hij zien. - Johannes 9:1-7

Om zo te zeggen: als we enkel het duister zien en blind zijn voor het licht (wat immers de toestand was van die blindgeborene), wordt het donker in onszelf en om ons heen. En misschien kan dat vandaag ook het bruggetje zijn tussen onze evangelietekst en de huidige actualiteit. Want hetzelfde doet zich ook bij ons voor. We zien dat bv. aan de manier waarop wij naar het nieuws kijken. Slecht nieuws heeft meer onze aandacht dan goed nieuws. En van slecht nieuws zijn we eerder in verwarring dan dat goed nieuws ons kan opbeuren. Anders gezegd: de duisternis laten we meer toe dan het licht.

Dit is opnieuw geen pleidooi om slecht nieuws dan maar te negeren, dat zou in de gegeven omstandigheden bovendien heel dom zijn, maar wel om ook de tekenen van hoop te zien. Ook in deze tijd van de coronapandemie zijn die tekenen van hoop er wel degelijk.

Kijk naar de zorgverleners, hoe zij zich, met inzet van hun eigen kwetsbaarheid, toch volledig inzetten voor de zieken. Kijk naar hoe in buurten en families, jongeren zich aanbieden aan ouderen om noodzakelijke boodschappen te gaan doen. Kijk hoe mensen in deze tijden verbroederen en verzusteren. Kijk hoe heel onze verdeelde samenleving ineens één gezamenlijk doel nastreeft: het overleven van deze coronacrisis. Kijk hoe overal in de wereld, niet zelden tegen het eigenbelang van de farmaceutische industrie in, wetenschappers hun krachten bundelen om medicijnen te ontwikkelen. En het is verschrikkelijk dat er mensen aan sterven, maar er zijn ook de vele talrijke verhalen van herstel en genezing.

Nu, dit alles naar aanleiding van het verhaal van de genezing van de blindgeborene. Een verhaal dat ons vertelt, niet dat de duisternis niet bestaat, maar wel dat wij vaak blind zijn voor het licht.

En de evangelist gaat nog veel verder dan dat. Bij hem gaat het vooral ook om aandacht te vragen voor het Licht met een hoofdletter. Hoe zit dat?

Welnu, het verhaal van de genezing van de blindgeborene zou men het verhaal kunnen noemen van de mens die tastend en zoekend zijn weg moet vinden in een wereld vol donkerheid. Is dat niet de condition humaine? Die blindgeborene, dat zijn wijzelf. Kortom: zo is de situatie van de mens. Zo zijn wij geboren. Hoezeer is de mens immers niet met blindheid geslagen als het gaat om het zoeken naar de zin van ons leven? Hoezeer wandelt de mens van alle tijden niet in duisternis als het gaat om het vinden van ware vrede en ongebroken menselijkheid? Als blindgeborenen tasten wij in dat duister en zoeken vergeefs naar het licht dat het duurzaam kan uithouden in de aardse duisternis die zich immers altijd en overal weer laat gelden. Dat is onze situatie.

De evangelist Johannes vertelt ons echter een ander verhaal. Dat begint al in de inleiding van zijn evangelie. Heel uitdrukkelijk schrijft hij daar de woorden: “het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen” (Johannes 1:5). Johannes heeft het daar over een licht dat niet door de duisternis gegrepen en aangetast wordt. Een licht sterker dan alle duisternis. En van diezelfde evangelist lezen we dan iets verderop in zijn evangelie het verhaal van de blindgeborene. Van de mens die van aanvang af in duisternis ronddoolt. En dan zien we in dat verhaal die beginwoorden uit de inleiding van het Johannes-evangelie waar worden. Jezus geneest de blindgeborene: het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het licht niet gegrepen, niet kunnen tegenhouden.

Daar, in die vertelling van het Johannes-evangelie, laat Jezus aan de mens die van aanvang af in duisternis wandelt, aan ons, het licht zien. Het Licht met een hoofdletter welteverstaan. Het Licht dat er, naar het bijbels getuigenis, van aanvang af altijd al was, maar voor ons onzichtbaar en verborgen. Het licht van God wiens allereerste woorden in het boek van het begin, in Genesis, luiden: “Er zij licht, en het werd licht” (Genesis 1:3). De evangelist Johannes zet die Godspraak als het ware in scène.

In de beeldtaal van Johannes geneest de blinde, sterker nog: de blindgeborene. Blinder kan niet. Duisterder kan niet. Maar toch geldt ook voor hem: er zij licht en het werd licht. Samenvattend kunnen we zeggen dat dit verhaal illustratief is voor de situatie van de mens: de duisternis van de wereld, de nood en de gebrokenheid, gesymboliseerd in de blindgeborene, omgeeft de mens vanaf z’n geboorte, om niet te zeggen: van de wieg tot het graf. Maar in dit verhaal wordt die heerschappij van de duisternis onderuit gehaald. De blindgeborene krijgt, in de beeldtaal van Johannes, door de hand van Jezus het licht te zien

Het is, binnen de lijn van dit Johanneïsche verhaal, vervolgens dan ook veelzeggend dat die blindgeborene, vanaf het moment dat hij ziende is geworden (lees: oog heeft gekregen voor het Licht), tevens begint te groeien in zijn geloof en godsvertrouwen. Aanvankelijk aarzelend, hij moet nog even aan al dat licht wennen, maar tenslotte knielt hij voor Jezus en zegt: “Heer, ik geloof.”

Kortom: de genezing van blindheid, anders gezegd: de bevrijding uit de duisternis betekent hier: oog krijgen voor het Licht met een Hoofdletter. Het Licht van God waarvan Jesaja getuigde: “Het volk dat in duisternis ronddoolt, ziet een schitterend licht.” Of het nog eens met Johannes te zeggen: “Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen”.

Amen.

Ds. Ernst Veen

22/02/2020