• banner1

Trouw blijven

Op de tijdlijn van mijn Facebook-account buitelen de berichten over elkaar heen. Er zijn besmettingen ontdekt in de Gazastrook - waar mensen al meer dan tien jaar in een soort openluchtgevangenis leven. Een videoboodschap van Gerard, een bevriende medewerker van een vluchtelingenorganisatie, die in Nigeria in een vluchtelingenkamp werkt. Hij heeft er bewust toe besloten om niet terug te gaan naar Europa nu het Coronavirus ook in Nigeria heeft toegeslagen. “Ik heb samen met mijn collega's besloten om te blijven en te doen wat ik kan doen, hoe bescheiden ook. Om ervoor te zorgen dat mensen niet onnodig hoeven te lijden. Ik houd m’n hart vast en ik denk elke dag aan jullie.” Ik heb zitten huilen bij het bekijken en beluisteren van dit bericht. Het vatte eigenlijk in minder dan tien minuten alles samen: de angst en de bezorgdheid, maar ook de ongelooflijke moed en het ongelooflijke mededogen die de crisis in mensen boven kan roepen.

Het is zó verleidelijk om bij het horen van deze berichten - en bij het stilstaan bij de huidige realiteit in ons eigen land - depressief te worden, verlamd te raken. Vooral als je zelf al besmette mensen in je familie of vriendenkring hebt.

Ik werd opnieuw door de hand van de Heer gegrepen. Zijn geest voerde mij mee en hij zette mij neer in een dal vol beenderen. Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo zag ik dat er verspreid over het dal heel veel beenderen lagen, die helemaal waren uitgedroogd. De Heer vroeg mij: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ik antwoordde: ‘Heer, mijn God, dat weet u alleen.’ Toen zei hij: ‘Profeteer, en zeg tegen deze beenderen: “Dorre beenderen, luister naar de woorden van de Heer! Dit zegt God, de Heer: Beenderen, ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen, en jullie zullen beseffen dat ik de Heer ben.”’ | Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. Zodra ik dat deed hoorde ik een geluid, er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneen voegden. Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok, maar ademen deden ze nog niet. Toen zei hij tegen mij: ‘Profeteer tegen de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tegen de wind: “Dit zegt God, de Heer: Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven.”’ Ik profeteerde zoals hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte. | En hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, deze beenderen zijn het volk van Israël. Het zegt: “Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden.” Profeteer daarom en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de Heer: Mijn volk, ik zal jullie graven openen, ik laat jullie uit je graven komen en ik zal jullie naar het land van Israël terugbrengen. Jullie zijn mijn volk, en jullie zullen beseffen dat ik de Heer ben als ik je graven open en jullie uit je graven laat komen. Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen, ik zal jullie terugbrengen naar je land, en jullie zullen beseffen dat ik de Heer ben. Wat ik gezegd heb, zal ik doen – zo spreekt de Heer.”’ - Ezechiël 37,1-14

Het is zo menselijk om, zoals dat volk Israël in het visioen van de profeet Ezechiël, te zeggen: “onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden.” Het is mij ook niet vreemd. Na dat bericht van Gerard had ik de volgende ochtend echt moeite om ’s morgens uit mijn bed te komen. Angst, verdriet en machteloosheid streden om de voorrang. Toch ben ik opgestaan. Waarom? Omdat er iets in mij is, dat heel koppig zegt: en tóch. En tóch is dit niet hoe wij als mensen bedoeld zijn. Ja, er is ziekte. Ja, er zijn verschrikkelijke oorlogen waardoor mensen in vluchtelingenkampen terecht komen. Onze wereld is gebroken, onvolmaakt, tot in haar ziel gewond. En zo worden ook wij mensen gebroken, onvolmaakt, tot in onze ziel gewond. En tóch. Dit is niet hoe wij als mensen bedoeld zijn. Er is méér. We zijn geroepen om te leven, niet alleen in leven te blijven, maar te leven met een grote hoofdletter L. En dat betekent niet: er maar op los leven. Dat betekent in de eerste plaats: voor elkáár leven. Elkaar bijstaan in deze gebroken en gewonde wereld. Elkaar hoop en moed inspreken. Zoals Ezechiël de opdracht krijgt: profeteer! De dichter Huub Oosterhuis vertaalde dat ooit met: kondig toekomst aan! Kondig toekomst aan, ook voor deze dorre beenderen van het volk Israël. Juist waar alle hoop verloren lijkt. Het grote “en tóch” dat door alle profeten in het Oude Testament heen klinkt, het grote “en tóch” dat Jezus van Nazareth ons liet zien in zijn leven. Dat grote “en tóch” waar ons geloof op gebouwd is.

Er zijn mensen die de huidige crisis uitleggen als een straf van God. Er zijn ook mensen die zich vertwijfeld afvragen hoe God dit toch kan toestaan. Maar ik denk niet dat het zo werkt bij die God van ons. Onze wereld is gebroken. Onze wereld is vanaf het begin van de mensheid nooit die wereld geweest, waarvan God eens zag dat het goed was. Door de hele mensengeschiedenis heen hebben we te kampen gehad met ziekte, lijden, voortijdige dood. Ik denk dat de grote vraag niet is: hoe kan God dit toestaan? De grote vraag is: wat doen wij in deze wereld, die we in al haar gebrokenheid bewonen? Etty Hillesum schreef hierover, te midden van de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog: “Dit éne wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. En dit is het enige, wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige, waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we ook er aan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen. (…) En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen.”

De woning van God in ons tot het laatst verdedigen, zo noemde Etty Hillesum het. Dat kan zoveel vormen aannemen, ook of juist in deze tijd van sociale distantie, isolatie en quarantaine. Trekken we ons terug op onszelf? Of lijden we met elkaar mee, hoe machteloos we ons ook voelen? Vluchten we in het vertrouwde, het schijnbaar veilige? Of durven we te doen wat we kúnnen doen, juist voor de meest kwetsbare mensen onder ons? Blijven we trouw aan elkaar en daarmee aan onszelf en aan God?

Als volgers van de weg van Jezus van Nazareth, leven wij vanuit dat grote “en tóch!” dat Jezus door zijn leven liet zien. Dat is ook het grote “en tóch” van het visioen van Ezechiël. Juist in deze tijd waarin het leven stilgelegd is om het hoofd te bieden aan ziekte en dood. Juist in deze tijd waarin ook het leven van de lente onstuitbaar voortgaat. Vanuit dat grote “en tóch” wens ik u moed toe, trouw, en mededogen. Ik ben heel blij met alle initiatieven om elkaar bij te staan, in onze gemeenten in Leuven, Mechelen en Vilvoorde, en alles wat daarbuiten gebeurt. Met alle tekenen van hoop, van volharding, van menselijkheid. Dat de adem van God, die wij ook ‘Geest’ noemen, ons mag blijven bezielen. Dat we elkaar toekomst blijven aankondigen.

Moge het zo zijn.

Heleen Ransijn

29/03/2020

Lazarus… bevrijd opnieuw beginnen

Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar Maria en haar zuster Marta woonden – dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer. De zusters stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’ Toen Jezus dit hoorde zei hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’ — Toen Jezus daar aankwam, hoorde hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. Betanië lag dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie, en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was. Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. Marta zei tegen Jezus: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat God u alles zal geven wat u vraagt.’ Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ ‘Ja,’ zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’ Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ ‘Ja Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat u de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zuster Maria apart en zei: ‘De meester is er, en hij vraagt naar je.’ Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe, die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Marta hem tegemoet was gekomen. Toen de Joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te weeklagen.Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en hem zag, viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’ Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren weeklaagden, en dat ergerde hem. Diep bewogen vroeg hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’ Jezus begon ook te huilen, en de Joden zeiden: ‘Wat heeft hij veel van hem gehouden!’ Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een blinde geopend, hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?’ Ook dit ergerde Jezus. Hij liep naar het graf, een spelonk met een steen voor de opening. Hij zei: ‘Haal de steen weg.’ Marta, de zuster van de dode, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’ Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?’ Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek hij omhoog en zei: ‘Vader, ik dank u dat u mij hebt verhoord. U verhoort mij altijd, dat weet ik, maar ik zeg dit ter wille van al die mensen hier, opdat ze zullen geloven dat u mij gezonden hebt.’ Daarna riep hij: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ De dode kwam tevoorschijn, zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, en zijn gezicht bedekt door een doek. Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat hem gaan.’ - Johannes 11:1-4,17-44.

Een bijzondere tekst op weg naar Pasen, woorden die, te midden van de dood, leven voor ogen houden. We staan in deze veertigdagentijd stil bij de bron van ons geloof, op weg naar Pasen, de kern van ons geloof. En vandaag, met deze teksten, wordt reeds duidelijk waar het om gaat: leven dat de dood overwint. Leven en dood, fundamenteler kan het bijna niet, om daar bij stil te staan. Maar het is misschien een thema waar we niet willen bij stil staan. Natuurlijk heel wat om dat voorgeschoteld te krijgen. Dat vraagt behoorlijk wat aandacht en ook de wil om echt te horen wat er staat.

Maar laten we eerst even kijken naar een nog oudere tekst over de doden.

Ik werd opnieuw door de hand van de Heer gegrepen. Zijn geest voerde mij mee en hij zette mij neer in een dal vol beenderen. Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo zag ik dat er verspreid over het dal heel veel beenderen lagen, die helemaal waren uitgedroogd. De Heer vroeg mij: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ik antwoordde: ‘Heer, mijn God, dat weet u alleen.’ Toen zei hij: ‘Profeteer, en zeg tegen deze beenderen: “Dorre beenderen, luister naar de woorden van de Heer! Dit zegt God, de Heer: Beenderen, ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen, en jullie zullen beseffen dat ik de Heer ben.”’ Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. Zodra ik dat deed hoorde ik een geluid, er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneen voegden. Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok, maar ademen deden ze nog niet. Toen zei hij tegen mij: ‘Profeteer tegen de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tegen de wind: “Dit zegt God, de Heer: Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven.”’ Ik profeteerde zoals hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte. En hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, deze beenderen zijn het volk van Israël. Het zegt: “Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden.” Profeteer daarom en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de Heer: Mijn volk, ik zal jullie graven openen, ik laat jullie uit je graven komen en ik zal jullie naar het land van Israël terugbrengen. Jullie zijn mijn volk, en jullie zullen beseffen dat ik de Heer ben als ik je graven open en jullie uit je graven laat komen. Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen, ik zal jullie terugbrengen naar je land, en jullie zullen beseffen dat ik de Heer ben. Wat ik gezegd heb, zal ik doen – zo spreekt de Heer.”’ - Ezechiël 37:1-14.

Wat een contrast tussen het “Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen” dat de mensen bij Ezechiël zeggen, en Jezus’ “Wie in mij gelooft, zal leven, ook wanneer hij sterft” dat we eerder bij Johannes lazen.

Geloof je dat? Ja, dat willen we geloven. Maar wat bedoelt de Schrift hier met dood en leven. Hoe kun je leven wanneer je toch sterft? Dan gaat het niet om de lente en de zon, de natuur die weer tot bloei komt, zolang we genoeg geduld hebben. Nee, wanneer de Schrift spreekt over dood en leven, gaat het om iets heel anders. Ook wanneer we sterven zullen we leven, dat is de boodschap van Jezus.

Om te begrijpen waarover het hier gaat, is het niet enkel goed om te weten wat Jezus nu bedoelt met zijn woorden, maar ook om te beseffen hoe wij die woorden vandaag horen.

Misschien net als Martha: “Als u hier was geweest Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn.”  (Johannes 11:21). Als je er vroeger was geweest, dan hadden we de dood van Lazarus niet onder ogen moeten zien. En dat ergert Jezus.

Misschien kijken we vandaag even graag weg van de dood als Martha. We willen niet sterven. Waarom wachtte Jezus vier dagen? Wel, niet om zijn macht te tonen, maar allereerst om iedereen te doen beseffen, dat de dood bij het leven hoort. Om iedereen te doen beseffen: God neemt de dood serieus en wil die niet zomaar ontkennen en wegvegen.

Vandaag leven we met het idee dat we de dood kunnen ontlopen. Leven en dood, beiden zijn een medisch probleem geworden, tenminste, zo gaan velen ermee om. Mensen van veertig en vijftig willen er twintig uitzien. Het besef van eindigheid, dat toch ten diepste bij ons menszijn hoort, wordt ontkend, verdaagd, zo lang mogelijk uitgesteld, weggestopt in ziekenhuizen. We zoeken naar wetenschappelijke en medische oplossingen om de dood zo lang als het kan uit te stellen of zelfs voor altijd op te lossen. Net als de dood is het leven een medisch probleem geworden: ben je ziek, ga naar de dokter; ben je ongelukkig, ga naar de dokter; voel je je leeg, worstel je met zinloosheid, ga naar de dokter.

Wat heeft, in zo’n cultuur, de Schrift nog te zeggen over leven en dood? Wat zeggen wij, wanneer we mensen horen klagen: onze hoop is vervlogen? Ga naar de dokter?

Voor we horen wat het Evangelie, wat Christus ons wil zeggen, is het goed om te beseffen dat de dood een grens is die bij het leven hoort. Dat de dood niet zomaar een medisch probleem is dat opgelost moet worden, dat leven niet zinloos is omdat we sterven, dat wanhoop en verdriet ook geen op te lossen medische problemen zijn, dat dit alles ten diepste bij ons hoort.

Hoe we onze eigen eindigheid vandaag beleven, het leven willen verlengen, leven en dood zien als op te lossen problemen, bepaalt ook hoe we omgaan met leegte, wanhoop en verdriet. Hoe verder we de dood en daarmee ook het verdriet ontkennen en wegstoppen, hoe verder we ook tegenslagen en verlamming en duisternis uit onze levens willen bannen met soms te goedkope hoera-berichten. Hoe meer we afdwalen van wat leven ten diepste is, hoe meer we de dood vooruitschuiven, hoe minder behoefte we hebben om het leven dat we leiden betekenisvol en bewust te leven in al zijn beperkingen.

Christus is niet gekomen om voor altijd de dood teniet te doen door hem te ontkennen en te ontlopen. Dat beseffen wij, dat weten we. Hij neemt de dood serieus, hij huilt met ons mee, maar spreekt van leven: “En Jezus zei: Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft…Geloof je dat?” (Johannes 11: 25) .

Wat is leven, waarom leven wij, hoe leven wij? Dat zijn de vragen waar Johannes, waar Jezus wil op ingaan. Vandaag horen we reeds wat leven in Bijbelse zin kan betekenen. Wat opstanding dus, voor ons kan betekenen. En de boodschap is dus niet: al wat samenhangt met de dood, de grenzen en beperkingen van het leven, de wanhoop en het verdriet ontkennen. “Kom maar kijken Heer”, en hij komt kijken naar Lazarus graf, en huilt, samen met ons, diep bewogen. Lazarus zit opgesloten in de duisternis van het graf, van wat leven tegenspreekt, onmogelijk maakt, ten diepste kan beëindigen.

Maar wat is dan het goede woord dat op dat moment klinkt? Het besef dat je zonder een gebroken leven serieus te nemen, ook leven uit Gods hand niet serieus kunt nemen.

Kom kijken. Wat we zien is Lazarus, een man die zich overgaf aan de stilte van het graf, zonder antwoorden te vinden, die vastliep, die ging liggen. Kom kijken Heer, naar ziekte, onrecht, verdriet, zinloosheid, leegte. En, zegt Martha, ik geloof, Heer, dat wij aan het einde van de tijd zullen opstaan. Maar wat nu dan? Wat met mijn broer? Wat met jouw vriend? Wat doe je er nu aan? Wat doet God met wie huilt in wanhoop? Wat met al die dood om ons heen? Wat nu?

Maak de doeken los en laat hem gaan! Want ik ben de opstanding en het leven, nu, vandaag, niet morgen.

Het is niet alleen Lazarus die opstaat, ook Martha staat op. Het gaat om haar vragen, haar verdriet. En Hij vraagt haar niet naar het verleden te kijken, naar het schaakmat van de dood, naar al wat leven onmogelijk maakt, tot zwijgen brengt. Nee, als je gelooft is Gods grootheid niet daar te vinden, ook niet in de toekomst; hij troost haar niet met een ‘wacht maar, het komt goed’, maar neen, nu, vandaag, is er voor jouw broer een nieuw begin, kan hij opstaan uit zijn graf. De doeken die hem vasthielden, zullen losgemaakt worden en hij zal opnieuw, nieuw leven.

Uit welke graven moeten wij opstaan? Dat is de vraag die hier gesteld wordt. Wees bewust van al wat het leven vandaag tegenspreekt. Besef dat Christus zijn blik daarvan niet afwendt, en weet dat Gods grootheid te vinden is in de vernieuwing van het leven, hier en nu, vandaag. Het is niet enkel Lazarus die opstaat, maar ook Martha.

Stel je voor dat je opnieuw zou kunnen beginnen, dat al wat je bindt, vasthoudt, verduistert, dat dit wegvalt… al waar je om hebt gehuild, waar je spijt van hebt, al die gedachten die om je hart en je hoofd zitten als een strakke doek die je blind maakt voor de toekomst, die je doet vastzitten, die je doet denken ‘ik kan maar beter gewoon wachten, blijven zitten, ik kan er niets meer aan doen’. Hoeveel mensen om ons heen sluiten zich op, hun blik afgewend van hoop, van licht, van leven?

Tegen al wie zegt: ‘ik heb niets meer om te verliezen, zelfs mijn leven niet’, zegt Christus en wij met hem: ‘sta op en leef’!

Wie wil nu niet opnieuw beginnen, om je bevrijd te weten van al wat er fout ging, door jezelf of anderen, en opnieuw te beginnen? Dat is wat hier aangeboden wordt. Dat is wat God ons in de handen geeft als gelovigen. Dat heet opstanding.

Lazarus staat voor al wie zich aan het duister overgeeft, de mens die zichzelf kwijt is in leegte, al wie geen andere uitweg meer ziet dan wanhoop. Martha staat voor al wie met hen huilt en God vraagt: waar ben je? waar was je? kom dan kijken!

Geloven in de opstanding, is geloven in het leven, is horen naar het woord van Christus voor Martha en voor ons die staan rondom al wie opgesloten zit in duisternis, gebonden aan handen en voeten: maak hun doeken los, en laat hen gaan.

Amen.

Ds. Edwin Delen

29/02/2020