• banner1

Gedragen door Gods liefde

Aan de vooravond van zijn lijden en dood spreekt Jezus, in zijn afscheidstoespraak bij het laatste Avondmaal, zijn leerlingen moed in. Zo zegt hij tegen hen:

Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zien jullie me terug.’ Daarop zeiden een paar leerlingen tegen elkaar: ‘Wat betekent wat hij nu zegt: “Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zien jullie me terug”? En: “Ik ga naar de Vader”? Wat betekent “nog een korte tijd”? Wat bedoelt hij toch?’ Jezus begreep dat ze hem iets wilden vragen. Hij zei: ‘Proberen jullie te begrijpen wat ik bedoelde met “Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zien jullie me terug”? Waarachtig, ik verzeker jullie: je zult huilen en weeklagen, terwijl de wereld blij zal zijn. Je zult bedroefd zijn, maar je verdriet zal in vreugde veranderen. | Ook een vrouw die baart heeft het zwaar als haar tijd gekomen is, maar wanneer haar kind geboren is, herinnert ze zich de pijn niet meer, omdat ze blij is dat er een mens ter wereld is gekomen. Jullie hebben nu verdriet, maar ik zal jullie terugzien, en dan zul je blij zijn, en niemand zal je je vreugde afnemen. Dan hoeven jullie mij niets meer te vragen. Maar ik verzeker jullie: wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – hij zal het je geven. Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd, maar vraag het en je zult het ontvangen. Dan zal je vreugde volmaakt zijn." - Johannes 16:16-24

Een week geleden kwam er bij mij op Facebook een citaat langs van Juliana van Norwich, Julian of Norwich in het Engels. Een visionaire vrouw die leefde in het Engeland van de veertiende en vijftiende eeuw. Julian leefde als een kluizenares, in een kleine cel, in een wereld die nog steeds te lijden had van de middeleeuwse pestepidemie. Mogelijk gaf die vrijwillige quarantaine in haar kluis aan Julian ook de kans om rust en richting te vinden in een chaotische wereld. Een heilige voor onze tijd, zou je kunnen zeggen. En dat citaat van haar dat bij mij langs kwam, is denk ik wel het bekendste van haar: “all shall be well, and all manner of thing shall be well.” Alles zal goed komen. Vraag me niet waarom, maar op dat moment ontroerde mij dat enorm. Misschien wel hierom: de God waar Julian in geloofde en waar zij in haar werk over schreef, is niet de God van wraak en straf zoals God ook in haar tijd zo vaak werd voorgesteld. De God waar Julian het over had, is in de allereerste plaats een God van liefde. Het is die liefde waarop zij vertrouwde en waardoor zij kon zeggen: alles zal goed komen.

Nu is van alle evangelisten die wij uit het Nieuwe Testament kennen, de evangelist Johannes precies degene die zo vaak de nadruk legt op Gods liefde. Hijzelf, of iemand die in zijn geest schreef, zegt het wel heel compact in de eerste brief van Johannes: God is liefde. De woorden van het evangelie van Johannes die we eerder hoorden, komen uit de afscheidsspeech van Jezus bij het laatste Avondmaal. Jezus spreekt in het evangelie van Johannes lang niet altijd in de meest begrijpelijke woorden, en dit stuk is geen uitzondering. Het niet-verstaan van de leerlingen kan ik me heel goed voorstellen. Maar de kern van wat Jezus hier te zeggen heeft, staat er toch wel helder in: “Je zult bedroefd zijn, maar je verdriet zal in vreugde veranderen.” Dit zegt Jezus op de vooravond van zijn lijden en dood, als hij zijn leerlingen moed inspreekt voor wat komen gaat. Hij spreekt uit liefde, hij spreekt hoopvolle woorden, en hij spoort aan tot vertrouwen: “dan hoeven jullie mij niets meer te vragen (…) wat je de Vader ook vraagt in mijn naam - hij zal het je geven”. Vertrouwen - dat is ook een ander woord voor: geloof. Geloof, hoop en liefde, ze liggen alle drie in deze woorden van Jezus besloten.

En terwijl ik in de afgelopen dagen zo liep te mijmeren over de woorden van Julian of Norwich en die uit het evangelie, kwam ik ook nog een stuk tegen dat veel korter geleden werd geschreven. Om precies te zijn: een week geleden. Het was van een vrouw die helemaal in onze tijd leeft, inclusief de Coronacrisis: mijn Amerikaanse collega Nadia Bolz-Weber. Zij schrijft hoe ze in de loop van de afgelopen weken, steeds meer haar ideeën op ging geven van “nu kan er even niets, maar straks is dat weer voorbij”. Over een paar weken. Goed, niet over een paar weken, maar over een paar maanden. Niet over een paar maanden, maar dan toch zeker na de zomer wel. Hoe meer de crisis vorderde, hoe meer zij al die gedachten losliet.

Nadia kwam tot de conclusie dat wij in deze tijd, als gelovigen, twee dingen nodig hebben. Het eerste is vertrouwen. Vertrouwen in de kracht van menselijke liefde en creativiteit, menselijke veerkracht, vriendelijkheid en humor. En ook het geloof dat God de bron is van al die dingen. Dat betekent dat er een oneindige bron is waaruit we kunnen putten, op het moment dat onze eigen krachten tekort schieten. Het tweede dat we nodig hebben is: de situatie waar we in leven, onder ogen zien. Met alle onzekerheid en onduidelijkheid en niet-weten. Iedere dag nemen zoals hij komt, en geen verwachtingen hebben dat het dan of dan toch wel voorbij zal zijn.

Aan de ene kant zie ik de wijsheid in van haar woorden. Aan de andere kant: hoe zeg je ‘leven bij de dag’, aan iemand die al twee maanden lang eenzaam thuis zit en geen bezoek heeft gehad, en zich dagelijks afvraagt hoe lang dat toch zal duren? Hoe zeg je dat tegen iemand die al op straat moest leven vóór de crisis kwam, en die nu helemaal geen uitzicht meer heeft - omdat de plekken waar hij nog heen kon, nu gesloten zijn vanwege Corona?

Die rare situatie waar we ons nu al twee maanden in bevinden, roept een hoop vragen op waar ik ook geen antwoord op heb. Het enige dat ik op dit moment kan zeggen, vanuit de woorden van Julian en van Nadia, en vanuit mijn eigen ervaringen in deze crisis: ondanks alles, doorhéén alles, worden we door God gedragen. Gods liefde heeft ons niet verlaten. Dat is geen instant troost die alles oplost. Het lost niet de eenzaamheid op van iemand die al twee maanden lang niemand gezien heeft. Het lost niet de wanhoop op van iemand die al op straat moest leven en in deze tijd nog méér op zichzelf teruggeworpen is. Het is ook geen troost voor mensen die zich vóór de crisis al met hart en ziel inzetten voor een betere wereld, die zich inzetten tegen klimaatverandering, vóór meer rechtvaardigheid, en die nu zien dat dit allemaal aan de kant geschoven wordt omwille van “het virus”. Voor alle ellende die voortkomt uit deze crisis ís geen instant troost voorhanden.

En tóch - daar heb je die twee woorden weer waar ik zo vaak op uitkom - en tóch worden wij gedragen, door Gods liefde. Vertrouwen op die liefde is iets waar ik in ieder geval hoop uit put. En die hoop is niet van “het zal beter worden, over een maand, over twee maanden, over een jaar”. Die hoop is: het kan anders. Zelfs midden in de gebrokenheid van onze wereld, waar we door de coronacrisis met onze neus bovenop worden geduwd; midden daarin kan het anders. Een andere wereld is mogelijk. Een wereld van liefde. Nu nog gebeurt Gods liefde vaak in het verborgene. Dan hier, dan daar. Overal waar mensen uit liefde hun nek uitsteken, naar een andere mens toegaan. Gods liefde gebeurt overal waar mensen zich ook in deze crisis inzetten voor de aarde, waar mensen zich inzetten voor een betere verdeling van het goede van diezelfde aarde in onze menselijke samenleving. Op al die plaatsen gebeurt Gods liefde al. En ik put hoop uit het visioen van een wereld waarin Gods liefde niet langer bestaat in alleen maar lichtpuntjes in een wereld die vaak zo donker kan zijn. Maar waarin onze hele wereld doorstraald wordt met het licht van die liefde. Dan zal ons verdriet in vreugde veranderen, en dán zal die vreugde werkelijk volmaakt zijn. En ik durf hier te zeggen: dat visioen geeft mij hoop, zelfs al zou het nooit werkelijk tot stand komen. Het volgen van dat visioen, het leven alsof dat visioen morgen waar zou kunnen worden: dat verandert een mensenleven. Naar dat visioen uitzien, er waar je kan aan werken in deze gebroken wereld. Dat geeft werkelijk hoop. Dat is al een begin van die vreugde waar Jezus over spreekt.

Julian of Norwich, een vrouw die door de pestepidemie heen en door alle andere ellende van de veertiende en vijftiende eeuw leefde: voor haar stond ’t als een paal boven water. Alles zal goed komen. Hoe? Ik weet het niet. Wanneer? Goede vraag. Het antwoord op die vraag heeft alles te maken met dat vertrouwen waar Nadia Bolz-Weber het over heeft: vertrouwen in de kracht van menselijke liefde en creativiteit, menselijke veerkracht, vriendelijkheid en humor. En ook met het geloof dat God de bron is van al die dingen, wat betekent dat er een oneindige bron is waar we uit kunnen putten op het moment dat onze eigen krachten tekort schieten.

Dat er door alle onzekerheid heen, die zekerheid is: het kan anders. Het is mogelijk om deze wereld vorm te geven vanuit liefde. Zelfs al moet je op anderhalve meter afstand blijven en kun je elkaar niet aanraken. Zelfs al spreek je elkaar alleen maar door de telefoon of zie je elkaar alleen maar op een schermpje. Die liefde van God vraagt er nog steeds om doorgegeven te worden. Dat is diezelfde liefde van God, die ons draagt, wat er ook met ons gebeurt. All shall be well. All manner of things shall be well. Je verdriet zal in vreugde verkeren. Die zaaiden in tranen, die keren met lachen en juichen. Want er is een liefde die ons draagt. En die ons nooit laat vallen.

Heleen Ransijn

17/05/2020

Wie is een held?

Overdenking Wie is een held 1Hősök tere, het Heldenplein, is een belangrijk plein aan de rand van de binnenstad van Boedapest. Erachter ligt het grote stadspark. Links en rechts van het plein zijn er belangrijke musea voor schone kunsten. Het centrum van het plein wordt gevormd door het heldenmonument: een halfrond van zuilen met tussenin de standbeelden van veertien helden uit de Hongaarse geschiedenis. Deze veertien helden zijn allemaal mannen. En bijna alle helden van dit plein hebben met gewapende strijd te maken. Het zijn koningen die een belangrijke slag hebben gewonnen. Of het zijn revolutionairen die zich verzetten tegen de heerschappij van de Habsburgers over de Hongaren. Helden, dat zijn soldaten, krijgsmannen. Dat is de boodschap van Hősök tere, van het Heldenplein.

In de afgelopen twee maanden is onze visie over helden veranderd. Een held, dat was opeens de kassierster in de supermarkt die - in het begin zonder plastic scherm - haar werk doet, ondanks alle onzekerheden rond het virus, ondanks het gevaar van besmetting. Of de dokters, de verplegers en verpleegsters in de ziekenhuizen.

Overdenking Wie is een held 2Een andere afbeelding laat onze nieuwe visie over helden zien. Ze toont een schilderij van Banksy, de beroemde Britse straatkunstenaar die vaak 's nachts ergens op een muur een schilderij achterlaat. Afgelopen woensdag dook dit schilderij op in een ziekenhuis van de Britse National Health Service in Southampton. Een kleine jongen speelt met zijn speelgoed. De heldin waar hij mee speelt, is… een verpleegster. Rechts onderaan, in de prullenbak, liggen de oude helden: Batman en Spiderman. Het jongetje heeft geen aandacht meer voor ze. Batman en Spiderman zijn de helden van gisteren, vandaag is de verpleegster de superheldin.

Maar wat maakt de verpleegster of de kassierster in de supermarkt tot helden? Gewoon dat ze hun werk doen, ondanks alle obstakels en moeilijkheden. Ze doen wat nodig is. Dát maakt ze tot helden.

In het evangelie van Johannes lezen we volgende woorden van Jezus Christus:

'Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en op mij. In het huis van mijn Vader zijn veel kamers; zou ik anders gezegd hebben dat ik een plaats voor jullie gereed zal maken? Wanneer ik een plaats voor jullie gereedgemaakt heb, kom ik terug. Dan zul ik jullie met me meenemen, en dan zullen jullie zijn waar ik ben. Jullie kennen de weg naar waar ik heen ga.' Toen zei Tomas: 'Wij weten niet eens waar u naartoe gaat, Heer, hoe zouden we dan de weg daarheen kunnen weten?' Jezus zei: 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij. Als jullie mij kennen zullen jullie ook mijn Vader kennen, en vanaf nu kennen jullie hem, want jullie hebben hem zelf gezien.' Daarop zei Filippus: 'Laat ons de Vader zien, Heer, meer verlangen we niet.' Jezus zei: 'Ik ben nu al zo lang bij jullie, en nog ken je me niet, Filippus? Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Waarom vraag je dan om de Vader te mogen zien? Geloof je niet dat ik in de Vader ben en dat de Vader in mij is? Ik spreek niet namens mezelf als ik tegen jullie spreek, maar de Vader die in mij blijft, doet zijn werk door mij. Geloof me: ik ben in de Vader en de Vader is in mij. Als je me niet gelooft, geloof het dan om wat hij doet. Waarachtig, ik verzeker jullie: wie op mij vertrouwt zal hetzelfde doen als ik, en zelfs meer dan dat, ik ga immers naar de Vader. En wat jullie dan in mijn naam vragen, dat zal ik doen, zodat door de Zoon de grootheid van de Vader zichtbaar wordt. Wanneer je iets in mijn naam vraagt, zal ik het doen. – Johannes 14:1-14

Er lijkt helemaal geen verband te bestaan tussen deze tekst en die helden. En toch...

Kijken we nog eens naar deze tekst. Het is een ingewikkelde tekst, zoals vaak bij Johannes. Het is een stukje uit een toespraak van Jezus. En Jezus praat over van alles en nog wat: over de Vader, over zichzelf, over geloof en vertrouwen, over bidden, over de leerlingen. En zelfs als je aandachtig leest, vraag je je aan het einde af: waar heeft Jezus het over gehad? Wat wou hij eigenlijk zeggen?

Kijken we naar de situatie waarin Jezus zijn toespraak houdt; misschien helpt dat verder. Jezus houdt zijn toespraak in een situatie van verandering. Voor zijn leerlingen zal het leven binnenkort diepgaand veranderen. Niets zal meer zijn zoals het was. Wat vertrouwd en gewoon was, zal verdwijnen. Jezus, die weet wat nog komen zal, neemt afscheid van zijn leerlingen. Hij bereidt hen voor op de veranderingen die hen te wachten staan, op de uitdagingen die gaan komen. Hij bereidt hen voor op zijn afscheid, op de tijd waarin hij niet meer onder hen aanwezig zal zijn. Hij bereidt hen voor op de kruisiging, op de opstanding. Maar daar houdt niet mee op.

De leerlingen zullen de taak hebben het evangelie te verkondigen. Ze zullen met de Joden discussiëren over de rol van Jezus Christus en de waarheid van het geloof. Ze zullen onder de heidenen het goede nieuws van Jezus verspreiden. En aan de horizon zie je al vaag het gevaar van de christenvervolging door de Romeinen.

Jezus bereidt zijn leerlingen op deze toekomst voor. En zijn doel is: bemoedigen en troosten. 'Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en op mij.' Daarmee is de toon gezet. Dat is de grondtoon. En daar zit iets in wat boven de concrete situatie van toen uitstijgt. Het is een algemene waarheid: Wie een volgeling van Jezus is, hoeft niet ongerust te zijn, wat en hoe dan ook.

Jezus wil zijn leerlingen geruststellen. En hij straalt zelf rust uit. Hij lijkt helemaal niet ongerust te zijn om wat met hem zal gebeuren. En de bron van die gerustheid is de verbondenheid met de Vader. Later in zijn toespraak heeft Jezus het over Pinksteren, over de komst van de Geest, de Trooster. De troostende, bemoedigende, inspirerende Geest. In de komende veranderingen zijn de leerlingen niet alleen. De band met Jezus, met de Vader, met de Geest zal hun de kracht geven om de uitdagingen aan te gaan. De leerlingen hoeven niet bang, eenzaam, verdrietig te zijn. De band met Jezus, met de Vader, met de Geest zal hun de kracht geven om hun werk te doen. Om te doen wat nodig is, ondanks alle obstakels en moeilijkheden.

Ook wij hebben te maken met veranderingen en uitdagingen. In een mum van tijd is ons leven grondig veranderd. Nu worden de genomen maatregelen stap voor stap teruggedraaid. Maar het leven zal niet zomaar het oude zijn, zoals het vóór de crisis was. Afstandsregels en mondmaskers, geen handen schudden, geen kussen op de wang, ze zullen niet snel verdwijnen. De toekomst blijft onzeker. En we moeten leven met deze onzekerheid. Maar in deze veranderingen zijn wij niet alleen. De band met Jezus, met de Vader, met de Geest geeft ons de kracht om de uitdagingen aan te gaan. Wij hoeven niet bang, eenzaam, verdrietig te zijn. De band met Jezus, met de Vader, met de Geest geeft ons de kracht om ons werk te doen. Om te doen wat nodig is, ondanks alle obstakels en moeilijkheden.

Wie is een held? Niet de mannen van Hősök tere, de gewapende strijders. Helden zijn de verpleegsters, dokters, supermarktmedewerkers die doen wat nodig is. Helden zijn ook wij, iedereen die doet wat nodig is in tijden van veranderingen en uitdagingen. En God geeft ons daarvoor de nodige kracht.

ds. Stefan Gradl

10/05/2020