• banner1

God heeft oogsthulp nodig

Jezus trok rond langs alle steden en dorpen, hij gaf onderricht in de synagogen, verkondigde het goede nieuws over het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal. Toen hij de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder. Hij zei tegen zijn leerlingen: 'De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders. Vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.' | Daarop riep hij zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en iedere ziekte en elke kwaal te genezen. | Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, Filippus en Bartolomeüs, Tomas en de tollenaar Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs, en ten slotte Judas Iskariot, die hem zo uitleveren. | Deze twaalf zond Jezus uit, en hij gaf hun de volgende instructies: 'Sla niet de weg naar de heidenen in en bezoek geen Samaritaanse stad. Ga liever op zoek naar de verloren schapen van het volk Israël. Ga op weg en verkondig: "Het koninkrijk van de hemel is nabij." Genees zieken, wek doden op, maak mensen die aan huidvraat lijden rein en drijf demonen uit. Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven!' - Matteüs 9:35-10:8

Eerlijk gezegd vind ik dat deze bijbeltekst een beetje tegenvalt. Ik vind hem niet echt spannend. Je hebt bijbelteksten die echt boeiend zijn: je bent benieuwd hoe het verhaal afloopt en moet blijven lezen tot je het weet. Deze tekst daarentegen hoort daar niet bij. Hij is eerder een beetje saai. Maar alleen op het eerste gezicht. Want als je preciezer kijkt, vallen een paar dingen op. En opeens wordt onze tekst toch interessant, spannend zelfs.

Het eerste wat mij opvalt, is het begin. Want daar zit een spanning in. Iets wat eigenlijk niet bij elkaar past. Ik moet erover nadenken om het te snappen. Ik bedoel het volgende: Matteüs vertelt dat Jezus langs alle steden en dorpen rondtrekt en iedere ziekte en elke kwaal genas. En de volgende zin is: 'Toen hij de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen.' En ik snap het niet: ze zijn toch allemaal genezen, iedere ziekte en elke kwaal zijn weg. Wat wil je nog meer? Zijn de mensen nog steeds niet gelukkig?

Neen, blijkbaar niet. De mens is meer dan alleen een lichaam. Er is meer dan alleen gezondheid. Ook de ziel heeft genezing nodig. De mensen zien er uitgeput en hulpeloos uit, als schapen zonder herder. De mensen hebben nog iets anders nodig, noem het hoop, oriëntatie, geborgenheid. En daarom zendt Jezus zijn leerlingen uit. Hij zegt hen: 'De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders. Vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.'

Dat is weer zoiets wat ik niet snap. Welke oogst? En wat moeten de leerlingen doen? Oogsten? Werken? Bidden? Ik moet nadenken over deze zin. En ik begrijp hem zo: Jezus verkondigt dat het koninkrijk van God nabij is gekomen. Gods nieuwe wereld is al begonnen. Onzichtbaar is zij aanwezig. Maar soms wordt ze ook zichtbaar, als Jezus zieken geneest of wonderen doet. Op dat moment wordt Gods nieuwe wereld zichtbaar, tastbaar, voelbaar.

Gods nieuwe wereld is er al. Ze is om ons heen. Onzichtbaar, meestal tenminste. Je moet haar alleen nog pakken, zoals je iets opraapt wat op de grond ligt. Je moet alleen nog de oogst binnenhalen. En daarvoor heeft God als het ware oogsthulp nodig. Mensen die anderen erop wijzen dat er meer is dan de wereld die je ziet. Dat er nog een andere wereld bestaat, Gods nieuwe wereld. Een wereld waarin God onvoorwaardelijk van mensen houdt en waarin mensen in vrede en liefde met elkaar leven. Een wereld waarin hoop is, oriëntatie, geborgenheid.

Jezus stuurt deze oogstarbeiders de wereld in. Twaalf leerlingen. Twaalf apostelen. Een apostel is eigenlijk een gevolmachtigd vertegenwoordiger. In de tijd van Jezus kon een generaal een apostel zenden om in zijn naam een vredesbestand te sluiten. Een man kon zich officieel verloven met een meisje via een apostel die in zijn naam een bindende overeenkomst sloot. Een apostel treedt op met een volmacht. Een woord van de apostel is als een woord van wie hem zendt. En Jezus benadrukt dat: 'Hij gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en iedere ziekte en elke kwaal te genezen.' Jezus draagt zijn macht op hen over.

Je kunt ook zeggen: ze zijn ambassadeurs. Een ambassadeur treedt op namens zijn land, namens zijn regering. De Belgische ambassadeur vertegenwoordigt de Belgische koning, de Belgische regering, België. Jezus stuurt de twaalf de wereld in, als ambassadeurs van God.

En wij vandaag, in Leuven, Vilvoorde, Mechelen en de andere dorpen en steden van onze regio? Wie of wat zijn wij?

Wij christenen zijn opvolgers van de eerste twaalf apostelen. Ook wij zijn ambassadeurs van God. Ook wij zijn geroepen om mee te oogsten. Wij zijn geroepen om erop te wijzen dat er meer is dan de wereld die je ziet. Dat er nog een andere wereld bestaat, Gods nieuwe wereld. Een wereld waarin God onvoorwaardelijk van mensen houdt en waarin mensen in vrede en liefde met elkaar leven. Een wereld waarin hoop is, oriëntatie, geborgenheid.

En weer is er iets wat ik moeilijk kan begrijpen. Ambassadeur, dat klinkt heel plechtig. Ambassadeurs, dat zijn hoge pieten, hooggestelde personen. Past dat op ons? Is dat niet te hoogdravend? En Jezus gaf aan zijn apostelen toen de macht om iedere ziekte en elke kwaal te genezen. Zo gaat dat niet altijd en overal, niet bij ons in ieder geval. Ambassadeurs van God, is dat niet té plechtig? Wij zijn maar kleine mensen, kwetsbaar, met onze twijfels en vragen. Zijn wij ambassadeurs van God? Apostelen? Moeten wij de oogst binnenhalen?

Maar ook de apostelen beleefden hun grenzen, hun beperkingen, de gebrokenheid van het bestaan. De twaalf apostelen moesten toen ervaren dat het soms niet lukte om zieken te genezen. De apostel Paulus had een kwetsbare gezondheid, en een paar andere gebreken. En ook Jezus zelf kwam soms op plaatsen en in situaties waar er weinig of geen ruimte was om zijn werk te doen. Jezus was zelf kwetsbaar: een kind in een kribbe, een stervende aan het kruis.

We zijn ambassadeurs van God, niet ondanks onze kwetsbaarheid, maar omdát we kwetsbaar zijn. Ik denk aan twee oudere dames in de gemeente waar ik ooit proponent was. De ene troostte de andere omdat haar man net overleden was. Ze vond de gepaste woorden. Maar de reden waarom ze de gepaste woorden vond, was dat ze haar ervaring deelde. Ook haar man was al overleden. Ze wist hoe het aanvoelde om een dierbare te verliezen. Juist door haar kwetsbaarheid kon ze de andere steunen en troosten.

Juist omdat we kleine mensen zijn, kwetsbaar en met onze twijfels en vragen, zijn we ambassadeurs van God.

ds. Stefan Gradl

13/06/2020

De uitzending van de leerlingen

De elf leerlingen gingen naar Galilea, naar de berg waar Jezus hun had onderricht, en toen ze hem zagen bewezen ze hem eer, al twijfelden enkelen nog. Jezus kwam op hen toe en zei: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ - Matteüs 28:16-20

Met de woorden “ga op weg en leer de wereld wat ik jullie opgedragen heb” zendt Jezus, in de slottekst van het Matteüsevangelie, Zijn leerlingen de wereld in en neemt Hij afscheid van hen. Nu ja, afscheid is het goede woord niet. Want wie die tekst aandachtig leest, ontdekt dat er van afscheid geen sprake is. Nergens klinkt een vaarwel of rollen er tranen. Integendeel, Jezus legt de nadruk op de blijvende verbondenheid, want als laatste woord zegt Hij tot z’n discipelen: “zie, Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.”

Geen afscheid dus aan het einde van de levensweg van Jezus op aarde. Integendeel. Maar wel een opdracht: de uitzending van Jezus’ leerlingen in de wijde wereld. De opdracht om op aarde te gaan werken aan de bouw van Gods Koninkrijk, aan Gods betere wereld. Een opdracht voor alle tijden, die vandaag ook aan ons en tot heel de wereldkerk gericht is: ga op weg, de wereld in. Op weg om daar, in ’t spoor van Jezus, een samenleving te stichten van liefde en verbondenheid, van recht en vrede. Om daar te werken aan een wereld zoals God die bedoeld heeft. Dat is de opdracht.

De bijbelschrijvers noemen dat “rentmeesterschap”. Niet te verwarren met eigenaarschap. Want in de Bijbel is niet de mens, maar God de Heer van het zijnde. De mens krijgt de aarde echter wel in beheer. Die opdracht klinkt al in Genesis:

En de Here God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren. - Genesis 2:15

Nu, bewerken, dat doen we wel met de aarde. Maar bewaren we haar ook? De vraag stellen is haar beantwoorden. De aarde kreunt en zucht aan alle kanten. Op veel plaatsen heerst bloedige strijd en onrecht. Vluchtelingenschap en machtsmisbruik. Roofbouw en het kappen van oerwouden. Economische uitbuiting van mens, dier en natuur. Sommigen stellen zelfs dat die eigenmachtige en hebzuchtige wijze van handelen, mogelijk iets te maken heeft met het ontstaan van het coronavirus en mogelijk van toekomstige andere killervirussen. Nu, hoe dat ook zij, wat zullen zij zeggen, onze kindskinderen, als zij in de geschiedenisboeken lezen dat in onze eeuw van geglobaliseerde economie en hoogstaande techniek, niettemin per jaar dertig miljoen mensen de hongerdood stierven. Als zij in een verpeste dampkring adem moeten halen? Als zij nog slechts in de plaatjesboeken van Anton Pieck een idee kunnen krijgen van wat “winter” inhield? Kortom, wij, met al onze vlijt die wij echter met voorrang in dienst gesteld hebben van economie en geldelijke bedrijvigheid, wij bewerken de aarde wel, maar het bewaren en behoeden van de aarde laten we na.

En zo is dus wel duidelijk dat die opdracht om op weg te gaan en een aarde te bouwen naar het model zoals Jezus Zijn leerlingen voorhield, geen overbodige luxe is, maar zeker ook geen garantie is dat die tocht moeiteloos zal verlopen. De Bijbel is geen gids, laat staan paspoort, waarmee je onmiddellijk het Beloofde land kunt betreden. Het is eerder een reisboek met goede raad als je het spoor bijster bent geraakt, of als je naar de weg zoekt wanneer je verdwaald bent. Want onze wereld is warempel het Beloofde land niet. Integendeel: het is een oord vol onvrede en strijd, angels en klemmen, dood en duisternis.

Iets terug in het Matteüsevangelie, zegt Jezus het zo:

Bedenk wel, ik zend jullie als schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif. - Matteüs 10:16

Onze wereld wordt daarbij dus getypeerd als, zeg maar, een wolvenoord. Als een gebied vol roofdieren waar de sterkste overleeft en de zwakste ten onder gaat.

Wat bedoelt Jezus met die verwijzing naar wolven? De roofbouw en uitbuiting van de aarde is al even genoemd. Ook die zijn onmiskenbaar een gevolg van de menselijke wolvenaard. Maar mogelijk bedoelde Jezus daar misschien de dictators uit zijn eigen tijd mee? De machtswellustige keizer Augustus of de bloeddorstige koning Herodes en zijn trawanten? Vast wel.

En ook vandaag kunnen we die wolven zonder veel moeite aanwijzen op het landelijke dan wel het wijde wereldtoneel. De populisten die zogenaamd met snelle goedkope oplossingen aankomen, die echter op lange termijn peperduur zijn. De ordehandhavers die onderscheid maken tussen witte en zwarte of gekleurde mensen. De machthebbers, presidenten en staatshoofden die deze discriminatie actief of passief toelaten. De sterksten op aarde die de zwaksten overheersen. En, niet te vergeten, die wolven zitten ook in onszelf. Want christen-zijn van naam is allerminst een garantie dat wij ons niet als wolf gedragen. Dat we niet discrimineren of racistisch zijn of populistisch of seksistisch of vul maar in…

Nee, voor alle duidelijkheid: als Jezus tot Zijn leerlingen zegt: “ik zend u als lammeren of schapen”, dan zegt Hij daar niet mee dat zij geen roofdieren zouden zijn, maar dan is dat een opdracht. “Ik zend u weg met de opdracht een schaap, een lam te zijn.” Kortom: dus niet als hyena’s om elkaar op te vreten. Niet als wolven op jacht naar buit, niet zoals dat Romeinse gezegde stelt: homo hominis lupus (de ene mens is voor de ander een wolf), maar als goedmoedige schapen en lammeren.

Dat wil ook zeggen: als kuddedieren. Nu klinkt dat voor de moderne mens uit het ik-tijdperk niet bijzonder complimenteus. Bij het begrip kuddedier denken we meteen aan kritiekloos schaapachtig kuddegedrag. Maar wie de levensweg van de in vele opzichten uiterst kritische Jezus overziet, kan toch bezwaarlijk opperen dat Hij dat zou propageren. Integendeel. In het bijbelse beeld van de schaapskudde gaat het niet om domme en kritiekloze volgzaamheid, maar om het aspect van gemeenschap. We worden door Jezus aangesproken als gemeenschapsdieren. Dat wil zeggen: als sociale wezens. Als mensen die op elkaar zijn aangewezen. Als mensen die geroepen en bestemd zijn tot onderlinge naastenliefde en medemenselijkheid.

En ja, verder ook nog: als dieren die niet hun eigen goddelijke gang gaan, maar die zich oriënteren op een Herder met een hoofdletter. Nu klinkt dat misschien wat vroom als je dat zo plompverloren zegt. Toch behoort dat tot de essentie van het gemeente-zijn. We gaan in de kerk niet louter bij onszelf te rade, en bij onze eigen wijsheden in de leer, maar we oriënteren ons aan de Wegwijzer met een hoofdletter. Aan de weg die Jezus ons in deze wereld gewezen heeft.

Let wel, daarbij wordt ons niet gevraagd om dan maar ons verstand in te leveren. Integendeel. Jezus voegt er zelfs onmiddellijk aan toe: wees dan scherpzinnig als de slangen. Kortom, loop niet schaapachtig achter de eerste de beste populist of nepherder aan, maar gebruik je verstand. En tenslotte haalt Jezus er ook nog de duiven bij. Wees dan net zoals de duiven. U weet wel: dat zijn de dieren die in de Bijbel bij uitstek gelden als het symbool van de vrede. Duiven hebben in de Bijbel, denk maar aan Noach en zijn ark, de snavel vol van de vrede. De duif die Noach uitzond om te midden van een doodse en dreigende ondergelopen wereld, toch onbedreigd en vredig land te vinden, kwam terug met een vers Olijfblad in zijn bek, ten teken dat dat land, ondanks de doodse vloed, dus ondanks de ellende van de wereld, toch bestond.

En zo zend de Goede Herder ook ons uit, opdat wij als gemeenschap bouwen aan dat komende Vrederijk van God, om eenmaal, net als die duif van Noach, ondanks alle dood en duisternis, toch dat nieuwe land te zullen vinden.

ds. Ernst Veen

06/06/2020