• banner1

Gods goedheid houdt ons staande

Vanuit de woestijn van Sin trok het hele volk van Israël verder, van de ene pleisterplaats naar de andere, volgens de aanwijzingen van de Heer. Toen ze hun tenten opsloegen in Refidim, bleek daar geen water te zijn om te drinken. Ze maakten Mozes verwijten. ‘Geef ons te drinken, geef ons water!’ zeiden ze. Mozes zei: ‘Waarom maakt u mij verwijten? Waarom stelt u de Heer op de proef?’ Maar omdat het volk daar hevige dorst leed, bleef het klagen. ‘Waarom hebt u ons uit Egypte weggevoerd?’ zeiden ze tegen Mozes. ‘Om ons van dorst te laten sterven, met onze kinderen en ons vee?’ | Mozes riep luid de Heer aan. ‘Wat moet ik met dit volk beginnen?’ vroeg hij. ‘Er hoeft niet veel meer te gebeuren of ze stenigen mij!’ De Heer antwoordde Mozes: ‘Ga samen met een aantal van de oudsten van Israël voor het volk uit. Neem de staf waarmee je op de Nijl hebt geslagen in je hand en ga op weg. Ik zal je opwachten op de rots bij de Horeb. Als je op de rots slaat, zal er water uit stromen, zodat het volk te drinken heeft.’ Mozes deed dit, in het bijzijn van de oudsten van Israël. Hij noemde die plaats Massa en Meriba, omdat de Israëlieten Mozes daar verwijten hadden gemaakt en omdat ze daar de Heer op de proef hadden gesteld door te vragen: ‘Is de Heer nu in ons midden of niet?’ - Exodus 17:1-7

Ja, waarom lezen we dat eigenlijk, dat verhaal van die tocht door de woestijn uit Exodus 17? Het simpele antwoord is natuurlijk: omdat we in de tijd voor Pasen begonnen zijn met lezen uit dit bijbelboek, omdat het op de leesrooster staat als alternatief spoor, omdat we hebben toegelezen naar het verhaal van de Uittocht, het verhaal van de doortocht door de Rietzee, die met Pasen verbonden zijn. En dan ligt het voor de hand dat we nu doorlezen tot aan Pinksteren, tot aan de wetgeving op de Sinaï als God zijn wil aan mensen bekend maakt en hun de weg wijst naar een goed en vervuld leven. Maar ondertussen is er toch wel iets meer aan de hand. Want die woestijn doet ons ook denken aan de manier waarop we dezer dagen, in de lente van 2020, onze wereld en onze werkelijkheid beleven. Er is zo veel dat ons herinnert aan de dorheid, de doodsheid van zo’n onvruchtbaar gebied. Omdat we moeten binnenblijven, omdat we de dingen niet kunnen doen die we normaal graag doen, omdat we aan allerlei beperkingen onderhevig zijn. We verlangen terug naar de tijd dat alle gewone dingen nog konden, dat we elkaar konden opzoeken, dat we elkaar konden troosten, contact konden hebben, ja dat we op zondagmorgen gewoon naar de kerk konden gaan. Want zo zitten mensen in elkaar. Mensen beseffen vooral wat ze missen en worden ontevreden en ondankbaar, zoals dat volk daar bij Mozes in de woestijn. Wij ook verlangen terug naar een verleden waarvan we ook wel weten dat het onvolmaakt was. We verlangen terug naar al die gewone dingen die nu niet kunnen. En de Bijbel leert ons dat we daar niets mee opschieten. De Bijbel leert ons om ons niet te oriënteren op wat geweest is, op wat achter de rug is, maar op wat komt. De Bijbel leert ons dat we onderweg zijn, onderweg met God.

God is degene die ons zijn trouw toont, zijn aanwezigheid en zijn zorg. En dat uit zich soms in de meest gewone dingen. In het feit dat we te eten hebben, zoals het volk in de woestijn iedere dag het manna vond dat hun tot voedsel diende. Het feit dat we onze dorst kunnen lessen met water. In al die gewone dingen mogen we de hand van God herkennen, zijn zorg die naar ons uitgaat.

Maar dat is niet alles. De rabbijnen en ook Paulus hebben verder gekeken en aan deze passage een extra geestelijke dimensie gegeven. God is nabij in het Verbond, in de Tora. De Tora, de richtlijnen ten leven die als water ons leven verkwikken en ons vruchtbaar maken. En Paulus legt er dan nog een extra dimensie in en ziet in dat water, dat levend water, Christus als de rots die met ons meegaat (1 Korintiërs 10:4). En als je dat dan leest, zo kort na Pasen, dan ligt de associatie met de opstanding voor de hand. Als Christus uit het graf opstaat en de harde rots hem niet kan houden, is dat een nieuwe herinnering aan het verhaal dat we lazen, het water dat doorbreekt als Mozes op de rots slaat, het water dat vruchtbaarheid geeft en leven schenkt. De rots breekt open, baart leven, baart heil. En in feite is dat precies wat Pasen is. Pasen is opstaan met Christus, het nieuwe leven binnengaan, leven dat de doodsheid te boven komt, leven dat aan de dorheid ontheven wordt. Uitbreken uit wat ons gevangen houdt, wat ons verhindert om voluit te leven. En dat is niet in de eerste plaats de lockdown, al gaat veel van onze aandacht daarnaar uit. Maar het is vooral ook onze ik-gerichtheid, ons egoïsme, datgene wat de Bijbel ‘zonde’ noemt. En zeker ook de sleur, het onnadenkende leven en alles maar als vanzelfsprekend accepteren wat met ons gebeurt, wat ons geschonken wordt. Leven op de automatische piloot.

Ik denk dat we drie dingen kunnen leren van deze tekst. In de eerste plaats dat God, ook als we het niet zien, als we eraan twijfelen of God nog wel in ons midden is, toch nabij blijft, ook in de woestijn, misschien wel juist in de woestijn, als het gaan ons moeilijk valt, als we kracht tekort komen. Hij komt ons tegemoet, Hij gaat met ons mee, Hij gaat voor ons uit om ons een weg te banen en Hij schenkt ons de kracht om vol te houden.

En het tweede is dat Gods hulp ons aangeboden wordt in schijnbaar gewone dingen. In de huidige situatie betekent dit dat we meer oog gaan hebben voor wat God ons geeft en voor ons over heeft, en dat meer op prijs gaan stellen. Een reden om dankbaar te zijn, ook voor het kleine , ook voor het gewone dat het leven geeft.

En het derde is dat we uit ons pantser moeten treden, dat we moeten vragen om opengemaakt te worden, om open te gaan naar God en naar elkaar, zodat er ook uit ons binnenste levend water kan vloeien (Johannes 7:38) en mensen verkwikken, een woestijn tot leven wekken. Onze band met Christus kan dat bewerken, kan ons leven vruchtbaar maken, ons geluk schenken en uitzicht, perspectief bieden, maar dan ook voor de mensen om ons heen een verschil maken. Als Christus bij ons is, als Christus in ons leeft, dan blijft de wereld niet een woestijn. Dan weten we ons onderweg naar iets nieuws, onderweg naar een toekomst die door God geschonken wordt. En dan kunnen we altijd dankbaar zijn om alle weldaden die God ons geeft, om de goedertierenheid des Heren.

ds Jelle Brouwer

26/04/2020

Nieuw leven

Na verloop van veertig dagen deed Noach het venster dat hij in de ark had aangebracht open en liet een raaf los. Deze bleef heen en weer vliegen totdat de aarde droog was. Vervolgens liet hij een duif los om te zien of het water verder gedaald was. Maar de duif kon nergens een plekje vinden waar ze kon neerstrijken om te rusten en kwam bij hem terug in de ark, want overal op de aarde was nog water. Hij stak zijn hand uit, pakte haar en nam haar weer bij zich in de ark. Hij wachtte nog zeven dagen en liet de duif toen opnieuw los. Tegen de avond kwam ze bij hem terug - met een jong olijfblad in haar snavel. Toen wist Noach dat het water op de aarde verder gedaald was. Weer wachtte hij zeven dagen en daarna liet hij de duif nogmaals los. Ze kwam niet meer bij hem terug. In het zeshonderdeerste jaar van Noachs leven, op de eerste dag van de eerste maand, was het water van de aarde verdwenen. Noach maakte het dak van de ark open en keek rond - de aarde was drooggevallen. Op de zevenentwintigste dag van de tweede maand was de aarde droog. Toen zei God tegen Noach: 'Ga de ark uit, samen met je vrouw, je zonen en de vrouwen van je zonen. Laat ook alle dieren die bij je zijn naar buiten gaan: vogels, vee en alles wat op de aarde rondkruipt. Ze moeten weer vruchtbaar zijn en talrijk worden en de aarde bevolken.' Hierop ging Noach naar buiten, samen met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen. Ook alle dieren gingen de ark uit, soort bij soort, alle vogels, en alles wat op de aarde rondkruipt. | Noach bouwde een altaar voor de Heer; daarop bracht hij brandoffers van al het reine vee en alle reine vogels. De geur van de offers behaagde de Heer, en hij zei bij zichzelf: Nooit weer zal ik de aarde vervloeken vanwege de mens, want alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht. Nooit weer zal ik alles wat leeft doden, zoals ik nu heb gedaan. | Zolang de aarde bestaat, zal er een tijd zijn om te zaaien en een tijd om te oogsten, zal er koude zijn en hitte, zomer en winter, dag en nacht – nooit komt daar een einde aan. - Genesis 8:6-22

Aan het begin van het verhaal uit Genesis zitten Noach, zijn familie en al die dieren in de ark, aan het einde van de zondvloed. Het heeft dan veertig dagen geregend, en daarna was de aarde nog eens honderdvijftig dagen lang met water bedekt. Dan pas begint het water weer te zakken en, als ik het goed berekend heb, gaan er nog eens bijna tachtig dagen overheen vóórdat de toppen van de bergen zichtbaar worden. Zeker weet ik het niet, want de tijdsaanduidingen duikelen over elkaar heen in het gedeelte voorafgaand aan ons verhaal van vandaag. En dan - horen we als wij het verhaal binnenkomen - dan duurt het nog eens veertig dagen voordat Noach zijn eerste verkenner, een raaf, loslaat. Ik ben dan zelf allang de tel van de dagen kwijt. Dit is geen quarantaine meer, dit is bijna letterlijk quarantaine in het kwadraat.

Het goede nieuws in dit verhaal is in ieder geval: het einde van die quarantaine in het kwadraat van Noach is in zicht. En wat mij dan opvalt: dan nóg neemt hij de tijd. Noach neemt de tijd om te zien of het al de goede tijd is om de ark te verlaten. Hij pakt het zorgvuldig aan. Eerst laat hij een raaf naar buiten. Volgens een oude Joodse bron wordt de raaf als eerste uitgezonden omdat hij een aaseter is. Als de raaf niet terug zou komen, zou dat betekenen dat het water al genoeg gezakt was om dode lichamen op de aardbodem te vinden, waarvan de vogel zich zou kunnen voeden.

De duif, die daarna uitgezonden wordt, die wordt in totaal drie keer uitgezonden - steeds met een tussenpoos van zeven dagen - voordat ze niet meer terugkomt. De tweede keer keert ze terug met een jong olijfblad in haar snavel. Een beeld dat voor ons nog steeds symbool staat voor vrede. Maar na nog eens zeven dagen is het water zóver gezakt dat er weer leven mogelijk is, en de duif keert niet meer terug. Intussen zijn er na die veertig dagen dat Noach gewacht heeft, dus nog eens drie keer zeven dagen verstreken. En dan duurt het nóg bijna twee maanden vóórdat Noach, zijn familie en alle dieren de ark verlaten om de aarde weer te bevolken. Er is tijd voor nodig, véél tijd, voordat hun quarantaine in het kwadraat helemaal afgelopen is. En als ze dan naar buiten komen, dan lijkt het op een nieuwe wereld. Een nieuwe schepping. God zegt in het verhaal, met woorden die onmiskenbaar doen denken aan het scheppingsverhaal: de dieren moeten weer vruchtbaar zijn en talrijk worden, en de aarde bevolken.

Toch is de nieuwe aarde niet dezelfde als de oude. God zelf lijkt te beseffen dat het tijd is voor een andere omgang met zijn schepping. Nooit weer, zo zegt hij, zal ik alles wat leeft doden. Hij lijkt ook te zeggen: de mens is onverbeterlijk tot het kwade geneigd, maar ik laat daar nooit meer de hele aarde voor boeten. God neemt afscheid van zijn rol als veroorzaker van wereldwijde rampen. Ondanks alles krijgt de aarde en daarmee de mens een nieuwe kans tot leven. Met de nadruk op ‘nieuw’: het is niet zomaar een voortzetting van het oude.

Zo ook kan of mag het nieuwe leven na de Opstanding van Jezus Christus, niet zomaar een voortzetting zijn van het oude leven.

Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar; ze hadden de deuren afgesloten, omdat ze bang waren voor de Joden. Jezus kwam in hun midden staan en zei: 'Ik wens jullie vrede!' Na deze woorden toonde hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren blij omdat ze de Heer zagen. Nog eens zei Jezus: 'Ik wens jullie vrede! Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.' Na deze woorden blies hij over hen heen en zei: 'Ontvang de heilige Geest. Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.' - Johannes 20:19-23

Het nieuwe leven draagt wel de tekenen van het oude: Christus draagt voor altijd de wonden van zijn kruisiging. De aarde zal ook altijd de wonden dragen van de grote vloed. Niettemin gaat het om nieuw leven. God sluit in het volgende hoofdstuk van het boek Genesis een verbond met alle levende wezens. Christus draagt zijn eigen macht over aan zijn leerlingen: de macht om zonden te vergeven, dat wil zeggen: om mensen steeds weer de kans te geven om een nieuw begin te maken. Na de nacht van de zondvloed en de nacht van het lijden en dood van Jezus Christus, is er een nieuwe dag gekomen, een nieuwe kans tot werkelijk leven.

Onze eigen quarantaine is voorlopig nog niet afgelopen, en wat er hierna komt is uiterst onzeker. Net als bij Noach zal het tijd vragen; niemand weet hoeveel tijd. Maar ook in deze tijd vieren we de opstanding uit de doden, het nieuwe begin dat Jezus met en voor ons maakte. En misschien zijn er al tekenen van dat nieuwe begin, als wij ze maar willen zien. Tekenen van een nieuw begin waarin juist die mensen gewaardeerd worden, die de samenleving draaiend houden. Niet de mensen van het grote geld, maar de mensen die ook in crisistijd zorgen dat het leven doorgaat. Dat de zorg voor zieken doorgaat. Dat de zorg voor andere kwetsbare mensen doorgaat. Dat we eten op ons bord hebben, dat onze steden en dorpen leefbaar blijven. Tekenen van een nieuw begin waarin ‘naar elkaar omzien’ niet alleen iets wordt dat in crisistijd gebeurt, maar een basis voor ons leven samen in dit land. Ik hoop en bid dagelijks om zo’n nieuw begin. Ik vertrouw, tegen alle hopeloosheid in, op dat koppige “en tóch!” van Pasen, toen het ondenkbare gebeurde. Ik houd me vast aan de woorden die op initiatief van de protestantse kerk in het Nederlandse Heerenveen de wereld in gestuurd zijn: houd moed en heb lief! Het zijn woorden zoals Noach ze tot zijn familie gesproken kon hebben tijdens die eindeloos lijkende grote vloed. Het zijn woorden zoals Jezus ze misschien wel gesproken heeft tot zijn leerlingen, toen hij weer aan hen verscheen na zijn opstanding. Het zijn woorden die ons gaande kunnen houden in deze vreemde tijden, levend tussen hoop en vrees. Die ons gaande kunnen houden in deze tijden van uitzien naar een nieuw begin.

Heleen Ransijn

19/04/2020