• banner1

Pieter, Pierre, Piers, Petro, Pjero… (en waarom niet: Petra) of de ideale lezer(es) van de Bijbel volgens William Tyndale

Zomer 2017. Met welke gedachten zal ik jullie deze zomer insturen?

Het is op zich merkwaardig dat een protestantse kerk als de onze de naam draagt van een illustere Bijbelvertaler uit het verre verleden. Voor weinigen in dit land gekend, maar voor velen in de wereld beroemd: William Tyndale.

Waar ik het met jullie in het midden van dit gezegende reformatiejaar over wil hebben is de zoektocht naar de betekenis van één van zijn meest beroemde uitspraken: I will cause a boy that driveth the plough to know more of the scripture than thou doest.

Of vrij vertaald: ik zal ervoor zorgen dat een ploegjongen meer zal weten over de Schrift dan jij doet. En de ‘jij’ zijn godgeleerde heren die niet erg opgezet waren met Tyndale’s vertaalwerk.

Hij hoopte met zijn vertaling van de Bijbel de kennis van de bron van ons geloof te verspreiden.

Lang begreep ik deze uitspraak als een evident voorbeeld van democratisering en ontvoogding van de gelovigen, los van kerkelijke hiërarchie en academische geleerdheid. De ploegjongen stond dan voor de ‘gewone gelovige’.

In zekere zin is dit zo, maar eigenlijk niet. De ploegjongen kreeg een naam: Piers, zo heet hij. Pieter dus.Luttrell Psalter's Ploughboy

De vraag-  wie is die ploegjongen en waarom nu net een ploegjongen? - bracht mij bij de poëzie. William Langland schreef in de tweede helft van de 14de eeuw een gedicht: Piers the Ploughman (*).

En het is Marilynne Robinson, een intelligente en getalenteerde hedendaagse schrijfster uit de VS, overtuigd calvinist en liefhebber van de Bijbel, die mij op het gedicht wees.

Het wordt beschouwd als één van de grote en invloedrijke  werken uit de Engelse literatuur. Langland blijkt een taalvirtuoos te zijn die het Engels zijn vorm gaf, net als later Tyndale en Shakespeare. Verder was hij bekend met John Wycliffe, de eerste vertaler van de Bijbel naar het Engels, en zijn beweging van Lollards - voorlopers van het protestantisme. Na Langland ontstaat er doorheen de eeuwen in de Engelse literatuur een Pieter de Ploegjongentraditie die zelfs verbonden blijkt te zijn met Robin Hood, wat eigenlijk niet zo verwonderlijk is. Het gedicht van Langland vatte een tijdsgeest samen en inspireerden velen en dus ook Tyndale. Hij gebruikt het toen heel bekende beeld van de ploegjongen om kerk en theologie te hervormen.

In de tekst komt een scene voor waarin theologen aan een rijk gevulde tafel een arme, hongerige en door kou verkleumde bedelaar als een hond de deur wijzen.  Zo is de toon gezet. God is niet te vinden bij die heren maar bij de nederigen.

De Ploegjongen was niet zomaar een jongen, maar iedere man of vrouw die leed onder armoede, onderdrukking en uitbuiting. Bij die mensen vonden de hervormingsbewegingen vanaf de vroege Middeleeuwen in Engeland het meest gehoor.

Meer nog, aan het eind van het gedicht verschijnt de Ploegjongen als de Lijdende Christus.

Net als Tyndale, zal later Calvijn mensonterende armoede verbinden met het beeld van de lijdende Christus: Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht. (Jesaja 53:3) of Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, heeft hij zich vernederd… (Filippenzen 2: 7-8)

Wie is de echte, ware lezer van de Schrift voor Tyndale: Piers.

Daarmee geeft Tyndale, duidelijk gewild, een sleutel bij het lezen van de Bijbel.

Christus, zelf arm met armen, is Pieters dienaar.

Een gedicht uit de 14de eeuw – hoogtepunt in de Engelse literatuur – beïnvloed door de voorlopers van de Reformatie inspireert William Tyndale nog geen twee eeuwen later de Bijbel voor de ploegjongen te openen om met haar boodschap van dienstbaarheid en nederigheid Pieter te bevrijden.

Deze zomer mag Pieter in onze gedachte rondwaren en als je een goed boek zoekt, lees dan de boeken van Robinson, van harte aanbevolen.

Ds. Edwin Delen

De Ring, juli-augustus 2017

 

(*) nvdr: Liefhebbers van 14de eeuws Engels kunnen William Langlands gedicht lezen en downloaden op Project Gutenberg, klik hier voor volume 1 en hier voor volume 2.

Gideon

Ik zal je zeggen wie er met je mee moeten gaan en wie niet. (Rechters 7:4)

Ieder van ons kent het verhaal van Gideon. Hij trekt ten strijde met mensen die God voor hem uitkoos. Een strijd met een fakkel in de ene hand en een kruik in de andere. Hij roept, en tovert daarmee de lezer een glimlach op het gezicht: te zwaard voor de Heer…!

Een Gideonsbende, uitgekozen om God te eren, klein maar dapper. Driehonderd man die het water met hun tong oplikten staan de angstige Gideon bij, tegen een overdonderende overmacht. Met fakkel en kruik, met lawaai in de nacht, behaalt hij de overwinning.

Een Gideonsbende, dat bleek de identiteit te zijn van vele kleine reformatorische kerken doorheen de eeuwen. Ze voerden Gods strijd in een voor hen vijandige omgeving, klein maar dapper.

Er lijkt niet veel gewijzigd vandaag voor onze kerken, klein, bang misschien voor de grote overmacht. Een overmacht vandaag van onverschilligheid. Niet het zelfzekere atheïsme voert het hoogste woord, maar een apatheïsme, mensen weten zelfs niet meer waarover het gaat. Ze zien de Gideonsbende aan zich voorbijtrekken en denken: wat was dat nu ook al weer?

Trots, dat was voor de kleine reformatorische gemeenten de aanleiding om zich te vereenzelvigen met dit bijzondere beeld. Trots op hun vertrouwen in Gods Woord; ze wisten zich gekozen door God om zijn Naam hoog te houden.

Gelovigen en kerken vinden hun identiteit niet zelden in het besef aan de marge van de samenleving te staan en zo hun identiteit te zoeken in verzet. Verzet tegen de onverschilligheid, verzet tegen het leegmaken van Gods Naam, verzet tegen een cultuur die los leeft van God. Sommige kerken vinden vandaag, nog steeds, de zin van hun bestaan in een resistance-identity. We houden de lofzang hoog tegen al wat hem wil doen verstommen.

De vraag is of dit gezond is. God koos die driehonderd mannen niet omwille van hun verdienste. De kunst om met je mond water op te likken is bezwaarlijk iets waar je trots op kunt zijn. Daar ging het niet om.

Het ging om God. Het is God die bevrijdt. Daar ligt onze identiteit. Het is God die de kerk leidt, en niet een Gideonsbende, hoe klein en dapper ook. Het is Gods kerk en niet die van Gideon en zijn bende.

Dat is misschien vroom gezegd, maar dat mag ons bevrijden van angst, onzekerheid, bitterheid, zelfs onverschilligheid.

Wat mij inspireerde in deze tekst, is de humor. Gods humor.

Wie wil er nu met mannen die drinken als honden de strijd voeren?

Niemand, behalve God.

Een resistance-identity die haar kracht en bron vindt in haar apartheid, haar verzet tegen een Godloze cultuur is aantrekkelijk, begrijpelijk maar ook gevaarlijk. Aantrekkelijk omdat ze als kerk haar wortels, haar born serieus neemt, vasthoudt aan Gods Woord in een wereld die blind, doof en verlamd lijkt te strompelen in de duisternis. Ze is rooted, ze voedt zich aan de bron, als een boom geplant aan stromend water. Maar ze zal zich verliezen in gevaarlijke radicaliteit wanneer ze niet connected blijft met de universele belofte van Gods Woord, een belofte die voor ieder mens geldt. En dat zien we vandaag te dikwijls gebeuren om ons heen wanneer religieuze groepen hun identiteit in apartheid, in radicaliteit zoeken.

Dat God, de Heer van onze kerk ons daarvan mag behoeden. Zijn Woord is gesproken en geschreven voor iedereen, want in Christus zijn er geen Joden of Grieken meer... u bent allen één in Christus (Gal. 3:2). Zijn Woord is universeel. De uitdaging als kerk vandaag is sporen van God te zoeken waar wij ze nooit zouden vermoeden. Hem te eren is beseffen dat Hij groter is dan onze gemeenschap, dat Hij onze grenzen overschrijdt, dat zijn liefde verder reikt dan ons begrip, dat zijn licht verder, dieper en hoger schijnt dan onze blik.

En dat Hij af en toe vraagt aan de gemeente, zijn kerk die Hij koos, om met humor aanwezig te zijn.

Het zou mooi zijn mocht zijn kerk de strijd voeren met een fakkel en een kruik, met een glimlach op het gezicht, en niet met een kramp van ingehouden frustratie of woede.

Het zou mooi zijn mocht de kerk de plaats van de nar innemen. Hij was de profeet die de vrijheid had zelfs het hoogste gezag met een glimlach belachelijk te maken en hem of haar zo te wijzen op zijn tekortkomingen.

Wat Gideon en zijn bende kenmerkte is Gods humor.

Ds. Edwin Delen

De Ring, mei 2017