• banner1

Een ommekeer

Wat ik mooi vind aan de Bijbel, is dat hij vaak zo verrassend menselijk is. En daardoor zo herkenbaar. En dat maakt het ook weer spannender. Want als iets herkenbaar is, als iets dicht op m’n eigen huid komt, dan moet ik daar wat mee. Dan kan ik dat niet zomaar laten liggen.

En weer vertrok Jezus; hij week uit naar het gebied van Tyrus en Sidon. Plotseling klonk de roep van een Kanaänitische vrouw die uit die streek afkomstig was: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon.’ Maar hij keurde haar geen woord waardig. Zijn leerlingen kwamen naar hem toe en vroegen hem dringend: ‘Stuur haar toch weg, anders blijft ze maar achter ons aan schreeuwen.’ Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.’ Maar zij kwam dichterbij, wierp zich voor hem neer en zei: ‘Heer, help mij!’ Hij antwoordde: ‘Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren.’ Ze zei: ‘Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen.’ Toen antwoordde Jezus haar: ‘U hebt een groot geloof! Wat u verlangt, zal ook gebeuren.’ En vanaf dat moment was haar dochter genezen. - Matteüs 15:21-28

Uit dit verhaal blijkt dat ook aan Jezus van Nazareth - hoe zeer die ook genoemd wordt: Jezus Christus, de Gezalfde - dat ook niets menselijks hem vreemd is. Jezus wordt Zoon van God genoemd, maar in dit verhaal toont hij zich in eerste instantie vooral als heel gewoon: zoon van Jozef. Een mens. Met heel menselijke nukken, zou ik bijna zeggen.

Als het verhaal begint, heeft hij een drukke tijd achter de rug. Hij is rondgetrokken in z’n geboortestreek, Galilea, in het noorden van wat wij nu Israël zouden noemen. Hij heeft daar verhalen verteld aan de mensen, onderricht gegeven in de vorm van verhalen, zoals zeker in die tijd gebruikelijk was. Hij heeft het aan de stok gekregen met de religieuze autoriteiten.

Hij heeft ook moeten meemaken dat zijn grote voorganger, Johannes de Doper, door koning Herodes gedood werd. En wat gebeurt er dan? Zo staat er: Jezus wijkt uit. Naar het land ten noorden van Galilea. Het land van Tyrus en Sidon. Dat is heidens land. Als je daarheen gaat, als gelovige jood, dan is het goed mis. Je zou ook kunnen zeggen: Jezus duikt onder. Maar kennelijk is de roem van die joodse leraar ook tot dat heidense gebied doorgedrongen. Want daar is opeens die vrouw. Ze wordt door de evangelist Matteüs een ‘Kananese’ genoemd. Alsof hij de tegenstelling nog wat scherper wil maken. Hier Jezus, gelovige jood, daar een vrouw van het volk van Kanaän, de oudste vijand van het volk van Jezus. Die vrouw mag dan wel heidens zijn, maar ze roept hem aan met “zoon van David”. De oude erenaam van de Gezalfde, de Messias. Christus, in het Grieks. De grote bevrijder waar zo door gelovige Joden op gehoopt werd in die tijd. Maar Jezus slaat geen acht op haar. Zijn leerlingen wel, die ergeren zich er aan en zeggen dat hij haar weg moet sturen. Want haar geroep trekt aandacht en dat is het laatste wat je kunt gebruiken als je uitgeweken bent. De vrouw blijft echter roepen.

En dan zegt Jezus tegen de leerlingen: ik heb niets met haar te maken, ik ben alleen tot de verloren zielen van m’n eigen volk gezonden. Eigen volk eerst; sterker nog, alléén eigen volk. Maar de vrouw laat zich niet afschepen - ze zal buiten zichzelf zijn van zorg over haar dochter; dit is mogelijk haar laatste toevlucht. Vervolgens zegt Jezus iets dat eigenlijk ontzettend bot is: “het is niet goed om het brood van de kinderen te nemen en dat aan de honden te geven.” Dat is nou echt over the top, om het in goed Nederlands te zeggen. Een klap in het gezicht van de vrouw. Maar zij, nog steeds wanhopig, geeft niet op. Ze pakt ‘m op z’n eigen woorden. De honden eten toch ook mee van de kruimels die van de tafel vallen? Ik vraag er niet om gelijk gesteld te worden aan iemand van je eigen volk, Jezus. Ik vraag maar om de kruimels, maar die heb ik wel nodig, wánt m’n dochter moet gered worden. En dat is ’t moment dat Jezus omkeert. Letterlijk, hij keert zich naar de vrouw toe. Maar hij maakt ook een innerlijke ommekeer.

En binnen dat geheel van het verhaal waarin deze scène zich afspeelt, binnen het geheel van het evangelie van Matteüs, is het ook een ommekeer in de richting van het verhaal. Het verhaal over de vrouw staat tussen twee verhalen over een wonderbare vermenigvuldiging van broden en vissen. In de overdenking “Delen is vermenigvuldigen”, de tweede voor deze, konden we al lezen van de eerste vermenigvuldiging, van vijf broden en twee vissen, die zoveel eten opleverden dat er twaalf manden met overschot waren. Deze speelde zich af in joods gebied, en de twaalf manden staan duidelijk voor de aloude twaalf stammen van Israël, van het volk van Jezus. Daar is de overvloed van God, waar Jezus voor staat, nog alleen gericht op z’n eigen volk. Iets verderop in hetzelfde hoofdstuk waar ons verhaal van vandaag in staat, komt er nog zo’n wonderbare maaltijd. Die is op heidens gebied, in de woestijn aan de overkant van het meer van Galilea. En daar worden niet twaalf manden opgehaald, maar zeven. Het getal van de overvloed, maar ook: van het geheel, de volkomenheid. Israël én de rest van de volken. De overvloed van Gods goedheid, de rechtvaardigheid en de barmhartigheid van het Koninkrijk van God, die zijn universeel en voor iedere mens op deze aarde bedoeld.

Dit verhaal wijst mij er op, dat niemand van ons - zelfs, kennelijk, Jezus niet! - dat niemand ooit kan denken dat zij of hij God in de binnenzak heeft. God is altijd groter dan wij ons zelfs maar kunnen voorstellen. Maar dat is geen grootheid van een God ver weg - dat is een grootheid die zich allereerst uitdrukt in liefde. Als wij tot God roepen, zoals ik zelf in ieder geval meermalen gedaan heb in deze vreemde maanden van Coronacrisis, dan mogen we erop vertrouwen dat we gehoord worden. Ik heb eigenlijk nooit gekregen waar ik om vroeg, in al die smeekgebeden van de afgelopen maanden. Niet letterlijk. En toch heb ik van alles ontvangen waarmee ik weer vooruit kon. Een gevoel van hoop, tegen alle hopeloosheid in. Een onverwachte ontmoeting of iemand die me opeens opbelde. Een lied dat in me opkwam.

Op dezelfde avond dat ik mijn vakantie in Noord-Holland moest afzeggen vanwege het advies om bij terugkeer in quarantaine te gaan, bracht iemand een initiatief onder m’n aandacht om hier in België bij mensen in de tuin te kamperen. Misschien allemaal toeval, misschien allemaal uit m’n eigen verbeelding afkomstig. En toch heb ik ergens de sterke gewaarwording dat ik gehoord word.

God hoort onze nood, zoals Hij de nood hoorde van die Kananese vrouw. “U hebt een groot geloof!” zei Jezus haar. Dat hád ze ook. Zij had het vertrouwen dat God, die liefde is, niet anders kan dan de nood horen van zijn geliefde mensen. De nood van ieder mens, van welk volk dan ook. De nood van mensen in Beiroet, die op dit moment hun stad in puin zien liggen. De nood van de mensen in de vluchtelingenkampen in Griekenland. De nood van slachtoffers van het Coronavirus, overal ter wereld. De bewoners van Beiroet die zomaar onderdak bieden aan stadgenoten die hun huis kwijtraakten door de explosies in de haven, zij zijn de handen van God die hoort. De mensen die met hart en ziel werken om het leven in de vluchtelingenkampen nog enigszins menselijk te maken, zij zijn de ogen van God die hoort.

Wijzelf op het moment dat we ons uitspreken tegen racisme, op het moment dat wij een ander hoop geven, op het moment dat wij ons omkeren om een ander mens werkelijk te horen: wij kunnen de handen, de oren, de ogen, de mond zijn van God die hoort. Een God die in al zijn onbegrijpelijke grootheid ook ons wil horen als wij zelf in nood zijn. Een God van oneindige liefde.

Heleen Ransijn

15/08/2020