• banner1

De gelijkenis van de Schat in de akker

Er zijn, grofweg gesproken, twee wijzen van kijken naar onze werkelijkheid.

Ten eerste kunnen we ons bestaan louter beschouwen naar wat zichtbaar en meetbaar is. Dan kijken we dus naar onze werkelijkheid, louter zoals deze zich aan ons voordoet, zonder dat we ermee rekenen dat er ook meer kan zijn dan wat we kunnen zien of natrekken. Daarbij behoort het credo: ik geloof enkel wat ik zie, hoor, voel of ruik. Ik geloof enkel dat wat empirisch traceerbaar, natrekbaar en bewijsbaar is. Anders gezegd: de werkelijkheid valt dan vrijwel restloos samen met wat onze ervaring en ook de wetenschap ervan kan zeggen. Dat is één.

De tweede wijze van kijken naar onze werkelijkheid sluit de eerste wijze van kijken in (en is dus ook niet vies van wetenschap), maar sluit tegelijkertijd niet uit dat er méér is dan we kunnen zien, meten of natrekken. Dat er méér is dan wat we met onze ervaring kunnen constateren, ook al kunnen we dat, naar de aard der zaak, nooit empirisch vaststellen, bewijzen of nameten.

Het is met het koninkrijk van de hemel als met een schat die verborgen lag in een akker. Iemand vond hem en verborg hem opnieuw, en in zijn vreugde besloot hij alles te verkopen wat hij had en die akker te kopen. – Matteüs 13:44

En juist daarover lijkt de gelijkenis van de schat in de akker ons iets te zeggen. We kunnen ons bestaan beschouwen naar de oppervlakte, enkel naar wat zichtbaar is. Maar we kunnen ons leven ook zien als een akker met een in de diepte verborgen en kostbare schat. En dan gaan we anders tegen ons leven aankijken. Net zoals die vinder van die schat na z’n vondst heel anders tegen die akker aankeek. Dat is één van de dingen die deze gelijkenis ons kan leren, dat ons leven méér is dan we aan de oppervlakte ervan zien, méér dan alleen het zichtbare: een leven met een verborgen schat.

De gelijkenis wil ons tevens op de inhoud van die schat attenderen. Op de verborgen schat van Gods al even verborgen aanwezigheid in ons leven. Dat is, aldus de gelijkenissen die Jezus vertelt, de verborgen schat in ons bestaan: “Het Koninkrijk der hemelen” in deze wereld. Gods aanwezigheid op aarde. Een schat die we dikwijls niet zien of bemerken. Geen wonder: ze ligt immers verborgen, zo staat er. Maar er staat ook: die schat is er. Het koninkrijk van God, en God aanwezigheid hier op aarde, al zien of merken we er dikwijls weinig van, is er wel degelijk. Weliswaar niet als een blootliggend feit aan de oppervlakte, of als een klip en klaar constateerbare feitelijkheid in deze wereld, maar als een kostbare en verborgen schat.

Eenzelfde gedachte vinden we bij Paulus:

Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. – Romeinen 8:18

Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen. – Romeinen 11:33

Ook bij Paulus gaat het dus om een verborgen schat, en Paulus lijkt met die zin tot de gemeente in Rome te willen zeggen dat zij, ondanks die verborgenheid van God, toch de hoop en het geloof niet mogen laten varen. En dat vertrouwen wil hij graag op z’n hoorders overbrengen.

Terug naar Jezus. Zijn parabel van de schat in de akker vormt in feite een dubbele gelijkenis. De verborgen boodschap zit immers niet alleen in de taal verborgen (zoals in elke gelijkenis), maar ook nog eens in de akker. Een dubbele verborgenheid dus.

En dat is veelzeggend. Want op die wijze wordt, naast de verkondiging van het Koninkrijk, naast de verkondiging dus van Gods aanwezigheid, ook het aspect van Gods verborgenheid onderstreept en in de verf gezet.

Dit aspect van Gods verborgenheid kan niet zonder betekenis blijven voor de wijze van de verkondiging. Een verkondiging die Gods Woord op een al te letterlijke, geheimloze, of zeg: “gelijkenisloze” wijze doorgeeft, doet het aspect van Gods verborgenheid en daarbij de boodschap zelf, geweld aan. Dat aspect van Gods verborgenheid voorkomt juist dat we over God al te direct en geheimloos spreken, als over een gesneden beeld. Zo is het en niet anders. Het zet een slot op onze neiging om God in te lijven in onze eigen denkwijzen en ideologieën.

Dat aspect van Gods verborgenheid houdt ons voor dat we God nooit in onze broekzak hebben. We zitten hier niet als mensen die gearriveerd zijn, die het bijvoorbeeld krachtens hun kerkelijk lidmaatschap allemaal zo goed weten hoe God het leven bedoeld heeft, nee, we zijn op reis, we zijn onderweg, naar een bestemming die vooralsnog geheim is, naar het woord van Paulus. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk en onnaspeurlijk. God is altijd weer anders dan wij denken.

Respect voor het gelijkeniskarakter van de bijbel, en daarmee voor geheim van God, doet echter, tot slot, niet alleen recht aan de Bijbelse notie van de verborgenheid Gods, maar erkent tevens de twijfel en de kritische zin als rechtmatig en zelfs noodzakelijk onderdeel van het geloof.

Gods verborgenheid veronderstelt immers de menselijke twijfel en zet al te onkritische goedgelovigheid op de helling.

Zo zijn twijfel (of misschien beter uitgedrukt: de afwezigheid van stelligheid) en de aanwezigheid van kritische zin, niet onbijbels, maar juist schriftuurlijk. De Bijbelse belijdenis van Gods verborgenheid roept een halt toe aan onze stelligheden en geeft ruimte aan onze vragen. Zo behoedt ze ons ook voor betweterij en fundamentalisme door te appelleren aan het door en door Bijbelse besef dat we er nog niet zijn, maar dat wij op weg zijn. Op weg naar de verborgen schat in de akker van ons bestaan. Op reis naar het nog verborgen maar Beloofde land van God.

Met als opdracht in onze reistas om die schat ook in de akker ons eigen leven op te delven. Om als mens, samen met God, hier en nu op aarde aan dat Koninkrijk te bouwen.

Ds. Ernst Veen

26/07/2020