• banner1

De gelijkenis van de Zaaier

Die dag verliet Jezus het huis en ging aan de oever van het meer zitten. Er kwam een grote mensenmassa om hem heen staan, en daarom ging hij in een boot zitten, terwijl de menigte op de oever bleef. Hij sprak hen uitvoerig toe en vertelde gelijkenissen: ‘Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en er kwamen vogels die het opaten. Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen. Toen de zon opkwam verschroeide het, en omdat het geen wortel had droogde het uit. Weer een ander deel viel tussen de distels, en toen die opschoten verstikten ze het zaaigoed. Maar er viel ook wat zaad in goede grond, en dat bracht vrucht voort, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig. Laat wie oren heeft goed luisteren!’ – Matteüs 13:1-9

Van Jezus wordt ons vertelt dat Hij in vele gelijkenissen tot Zijn toehoorders sprak. Sterker nog: “En zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet” staat er in die tekst van Matteüs. Waarom zou de evangelist daar zoveel nadruk op leggen? Op het feit dat Jezus uitsluitend in gelijkenissen sprak?

Onder de verschillende redenen die daarvoor zijn aan te wijzen, is ongetwijfeld de meest betekenisvolle dat Mattheüs aan zijn toehoorders wil doorgeven dat Jezus, door zo overvloedig in gelijkenissen te spreken, daarmee en passant uitdrukt dat men over God en over de dingen van het Koninkrijk nu eenmaal moeilijk anders kan spreken dan uitsluitend in beelden en gelijkenissen. In de bijbel vinden we dan ook nooit betogen over God. Verhandelingen die het wie, het wat en het waar van God exact en precies uiteenzetten. Nee, niet voor niets staat de bijbel vol met verhalen, waarin de dubbele bodems als het ware over elkaar heen tuimelen, vol beeldtaal en symboliek.

Er zijn er die dat liever anders zouden willen. Over God spreken in directe taal zonder beelden en dubbele bodems. God is zus en zo. Het staat er letterlijk. Punt. Maar letterlijke, directe en naakte taal, zonder dubbele bodem, zonder beelden en metaforen, schiet te kort om het geheimenis aangaande God te verwoorden. Ook beeldtaal schiet daartoe te kort, maar zij respecteert tenminste het geheim en pretendeert niet, zoals naakte letterlijke taal dat kan doen, het goddelijk mysterie als een scherp gesneden beeld te poneren.

Dat geldt ook voor de gelijkenis van de zaaier. We zullen die eens van dichterbij bekijken.  Jezus vertelt de gelijkenis, aldus Matteüs, aan een toegestroomde schare mensen en houdt hen daarin vier beelden voor:
- Ten eerste het beeld van het zaad dat langs de weg valt en wordt opgegeten door de vogels.
- Ten tweede het beeld van het zaad dat op de rotsbodem valt en dat bij het ontkiemen verdort omdat het in de steenachtige grond niet kon wortelen, noch er vocht aan kon onttrekken.
- Ten derde het beeld van het zaad dat midden tussen de dorens valt, waardoor het verstikt.
- En ten vierde het beeld van het zaad dat in goede aarde valt, waardoor het opkomt en veelvoudig vrucht voortbrengt.

Op ‘t eerste gezicht kunnen we ons bij deze beelden wel wat voorstellen. Ze zijn immers vrij direct. In de eerste drie beelden gaat het om zaad dat verkeerd valt. Het valt langs de weg, op de rots of tussen de dorens, waardoor het geen vrucht voortbrengt. In tegenstelling tot het vierde beeld van het zaad dat in goede aarde valt en dat veelvoudig vrucht draagt. De boodschap lijkt even duidelijk als eenduidig: het ziet er naar uit dat het in deze gelijkenis hoofdzakelijk gaat om een oproep tot een vruchtbaar leven. En niet zomaar, maar om een dringende oproep. Tot driemaal immers wordt op een andere wijze hetzelfde gezegd. Tot driemaal toe wordt een beeld geschetst van zaad dat verkeerd valt en geen vrucht draagt. En pas daarna, in het vierde voorbeeld, horen we ook over zaad dat in goede aarde valt en honderdvoudig vrucht draagt. Kortom, het lijkt dus dat het in deze gelijkenis vooral gaat om een appèl tot een vruchtbaar leven. Of zeg: om een oproep tot het afzien van het kwade en het nastreven van het goede.

Toegegeven, dat zou op zichzelf geen overbodige oproep zijn, want wat wij ook bij Paulus lezen is niemand vreemd:
Ik ontdek in mij de wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen. Innerlijk stem ik vol vreugde in met de wet van God, maar in alles wat ik doe zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij een gevangene van de wet van de zonde, die in mij leeft. Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood? Dat doet God! Dank aan hem door Jezus Christus, onze Heer. – Romeinen 7:21-25

Ik ontdek, schrijft Paulus, in mij de wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen. Of zoals het korter en krachtiger in de NBG51-vertaling staat: “…als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig.”

En nogmaals: zo lijkt het dus dat de teksten van vandaag vooral willen oproepen tot het nastreven van het goede en het afzien van het kwade. Tja, had Jezus daar nu een hele gelijkenis voor nodig om dat te zeggen: doe het goede en laat het kwade? Dat klinkt echter al even nietszeggend als moralistisch. Of gaat het om meer?

Gelukkig mag er naar aanleiding van deze gelijkenis meer gezegd worden. Jezus beperkt zich in deze gelijkenis niet tot de loutere oproep om een vruchtbaar leven te leiden. Hij beperkt zich niet tot louter moraal en vermaning. Ja, Hij wijst wel een richting en een weg. Een weg van hoe te gaan en te handelen in dit leven. Een weg van liefde tot God en de naaste. Een weg van humaniteit en gerechtigheid. Maar die richtingaanwijzer blijft niet steken in vermaning en moreel appèl, maar biedt tegelijkertijd perspectief en uitzicht.

In een Godsspraak bij Jesaja lezen we dat zo:
Zoek de Heer nu hij zich laat vinden, roep hem terwijl hij nabij is. Laat de goddeloze zijn slechte weg verlaten, laat de onrechtvaardige zijn snode plannen herzien. Laat hij terugkeren naar de Heer, die zich over hem zal ontfermen; laat hij terugkeren naar onze God, die hem ruimhartig zal vergeven. Mijn plannen zijn niet jullie plannen, en jullie wegen zijn niet mijn wegen – spreekt de Heer. Want zo hoog als de hemel is boven de aarde, zo ver gaan mijn wegen jullie wegen te boven, en mijn plannen jullie plannen. Zoals regen of sneeuw neerdaalt uit de hemel en daarheen niet terugkeert zonder eerst de aarde te doordrenken, haar te bevruchten en te laten gedijen, zodat er zaad is om te zaaien en brood om te eten – zo geldt dit ook voor het woord dat voortkomt uit mijn mond: het keert niet vruchteloos naar mij terug, niet zonder eerst te doen wat ik wil en te volbrengen wat ik gebied. Vol vreugde zullen jullie uittrekken en in vrede zul je huiswaarts keren. Bergen en heuvels zullen je juichend begroeten, en alle bomen zullen in de handen klappen. Doornstruiken maken plaats voor cipressen, distels voor mirtenstruiken. Zo zal de Heer zich roem verwerven, het is een eeuwig en onvergankelijk teken. – Jesaja 55:6-13

“Zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen…” Aldus wordt in de bijbel op aarde een weg gewezen, om zo te zeggen “naar omhoog”. Anders gezegd: naar Gods Koninkrijk. Naar Gods betere wereld. Of, om het in de termen van de gelijkenis in Matteüs te zeggen, een weg naar een aarde waarop het zaad niet vergeefs en alleen maar goed kan vallen en waarop het altijd vrucht zal dragen.

En daarover nu gaat het in dat vierde voorbeeld dat Jezus in deze gelijkenis geeft. Drie voorbeelden gaf Hij van zaad dat slecht en vergeefs viel. Maar in het vierde voorbeeld viel het zaad goed. Sterker nog: het viel in "goede aarde". En precies die uitdrukking "goede aarde", verwijst in de Bijbel naar Gods betere wereld waar alles goed is. En dan raadt u het al: die eerste drie voorbeelden van het zaad dat slecht valt, zijn een verwijzing naar onze kwalijke wereldgeschiedenis die zichzelf steeds maar weer herhaalt. Het zaad dat God in deze wereld zaait, valt langs de weg, op de rots of tussen de dorens. Om zo te zeggen: Gods bedoeling met de schepping wordt hier op aarde telkens weer opnieuw gedwarsboomd en geblokkeerd in de kwade gang van de wereldgeschiedenis. En het is belangrijk dat wij daar telkens weer op gewezen worden. De profeten deden dat al. En Jezus doet het ook. Maar, en dat is nadrukkelijk ook het geval in onze gelijkenis, nooit blijven die verhalen steken in strikt en benauwend moralisme. De Bijbel is geen moraalleer. De bijbel is geen gebodenboek, zelfs geen ethische leer, maar bovenal een boek met een boodschap.

Nooit blijven de verhalen steken in gebod of in vermaning. Integendeel, steeds is er weer die verwijzing naar het perspectief van de Nieuwe Aarde die ons van Godswege beloofd is. De boodschap daarbij is: ja, er gaat van alles fout op aarde. Telkens weer valt het zaad in verkeerde bodem. Steeds weer oorlogen en onrecht, vluchtelingschap en ongelijkheid, klimaatopwarming, milieuvervuiling, uitputting van grondstoffen, discriminatie, racisme, rampspoed en pandemieën… Maar dat is dus niet het laatste. De boodschap is dat het laatste woord niet aan de duisternis en de dood is, maar aan God die nooit zal laten varen het werk dat Zijn hand begon en deze wereld zal uitleiden uit de woestijn naar het Beloofde land.

Daarmee is nu niet gezegd dat wij maar werkeloos moeten afwachten tot die beloofde en goede nieuwe aarde aanbreekt. Deze gelijkenis houdt, middels de verwijzing naar dat zaad dat drie keer verkeerd valt, ook een oproep in om hier en nu aan die betere wereld te werken. Tot drie keer toe zelfs. Om hier en nu te werken aan mens-zijn zoals God bedoeld heeft. Om hier en nu te bouwen aan Gods goede aarde. Maar tegelijkertijd biedt ze ons ook het bevrijdende perspectief dat die goede aarde eens zal aanbreken, nl. in dat vierde voorbeeld van het zaad dat in goede aarde valt en dat veelvoudig vrucht zal dragen.

En zo blijft deze gelijkenis dus niet steken in die eerste drie voorbeelden waarin alles fout loopt, maar opent integendeel tegelijkertijd het bevrijdende perspectief op de komende nieuwe aarde waar alles goed is.

En dan zou ik nu amen kunnen zeggen. Maar toch nog even dit: De gelijkenis begon vanmorgen met de woorden: “Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien.” Zo lazen we dat in de Nieuwe Vertaling. Maar dat staat er niet. Er staat niet dat iemand uitging om te zaaien. Er staat ook niet, zoals de vroegere NBG51-vertaling dat vermeldt: “Een zaaier ging uit om te zaaien.” Er staat in de grondtekst: “de Zaaier” (voor de fijnproevers: ho speiroon).

De Zaaier ging uit om te zaaien.” En dat is een groot verschil met “iemand” of met “een” zaaier. Want daarmee zou elke willekeurige zaaier bedoeld kunnen zijn. Maar de Zaaier, dat kan er maar één zijn: God zelf.

En dat is andermaal een verwijzing naar het van Godswege bevrijdende perspectief dat Jezus in deze gelijkenis ons voorhoudt: Al valt het zaaigoed van de Zaaier hier op aarde maar al te vaak in onvruchtbare bodem, toch blijft in de Bijbel ook altijd Gods belofte overeind staan dat eens de Nieuwe aarde zal baan breken, het Koninkrijk van God waarin het zaad van Gods Schepping in goede aarde valt en veelvoudig vrucht zal dragen.

Of, zoals Jesaja dat vanmorgen zei: “Vol vreugde zullen jullie uittrekken en in vrede zul je huiswaarts keren. Bergen en heuvels zullen je juichend begroeten, en alle bomen zullen in de handen klappen. Doornstruiken maken plaats voor cipressen, en distels voor mirtenstruiken.

ds. Ernst Veen

12/07/2020