• banner1

Weerstand en vertrouwen

Bedenk wel, ik zend jullie als schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif. Pas op voor de mensen, want ze zullen je voor het gerecht brengen en je geselen in hun synagogen. Jullie zullen omwille van mij worden voorgeleid aan gouverneurs en koningen, en een getuigenis moeten afleggen ten overstaan van hen en de heidenen. Wanneer ze je uitleveren, vraag je dan niet bezorgd af hoe je moet spreken of wat je moet zeggen. Want wat je moet zeggen, zal je op dat moment worden ingegeven. Jullie zijn het immers niet zelf die dan spreken, het is de Geest van jullie Vader die in jullie spreekt. | De ene broer zal de andere uitleveren om hem te laten doden, en vaders zullen hetzelfde doen met hun kinderen, en kinderen zullen zich tegen hun ouders keren en hen laten terechtstellen. Jullie zullen door iedereen worden gehaat omwille van mijn naam; maar wie standhoudt tot het einde zal worden gered. Wanneer ze jullie vervolgen in de ene stad, vlucht dan naar de volgende. Ik verzeker jullie: voor je in elke stad van Israël bent geweest, zal de Mensenzoon gekomen zijn. | Een leerling staat niet boven zijn leermeester en een slaaf niet boven zijn heer. Een leerling moet er genoegen mee nemen te worden als zijn leermeester, en de slaaf als zijn heer. Als ze de heer des huizes al Beëlzebul genoemd hebben, waarvoor zullen ze dan zijn huisgenoten wel niet uitmaken? Wees dus niet bang voor hen. Want niets is verborgen dat niet onthuld zal worden en niets is geheim dat niet bekend zal worden. Wat ik jullie in het duister zeg, spreek dat uit in het volle licht, en wat jullie in het oor gefluisterd wordt, schreeuw dat van de daken. Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden. Wees liever bang voor hem die in staat is én ziel én lichaam om te laten komen in de Gehenna. Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets. Maar er valt er niet één dood neer zonder dat jullie Vader ervan weet. Bij jullie zijn zelfs alle haren op je hoofd geteld. Wees dus niet bang, jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen. - Matteüs 10:16-31

In het jaar 70 trok de Romeinse generaal Titus ten strijde tegen Jeruzalem, nog maar kort geleden veroverd door joodse opstandelingen. Nadat hij en zijn leger de stad hadden ingenomen, moordden zijn soldaten de bevolking uit. Wie het overleefde, sloeg op de vlucht. Het werd joden verboden om nog in de stad te wonen. En tenslotte verwoestte Titus de tempel, al eeuwenlang het centrum waarop iedere godvruchtige jood zich richtte. Het is een gebeurtenis die tot op de dag van vandaag ieder jaar in rouw herdacht wordt door de joodse gemeenschap. Hoe diep moeten de wonden dan wel niet zijn geweest voor de joden die in die tijd leefden.

Het is net iets na die traumatische gebeurtenis, dat Matteüs zijn evangelie schrijft. Hij schreef het hoogstwaarschijnlijk voor christenen die uit het jodendom afkomstig waren, in een tijd van ongehoorde crisis voor de joodse gemeenschap. De tempel was verwoest. Jeruzalem, de heilige stad, werd door de Romeinse bezetter ontmanteld en tot een heidense stad gemaakt. Dat zijn tijden waarin je het moet hebben van je onderlinge verbondenheid om je nog veilig te kunnen voelen. Schuilen bij elkaar, vooral niet teveel in de openbaarheid komen, anders keert de bezetter zich ook nog tegen jou. En dan is er zo’n groep die zich in plaats daarvan bekeert tot de sekte die begonnen is door een zwervende joodse leraar. Veertig jaar eerder is hij als opstandeling terechtgesteld door diezelfde Romeinse bezetter. En dan gaan ze ook nog lopen verkondigen dat het koninkrijk van God nabij is, tegen de heerschappij van de bezetter in. De weerstand tegen die afvalligen in eigen kring, tegen die amokmakers, die moet enorm geweest zijn.

Die amokmakers waren de eerste christenen. En vanwege hun verkondiging van het Koninkrijk kregen ze te maken met weerstand en haat van hun eigen volksgenoten, met heel reële vervolging. Inclusief het verscheurd worden van families, het afranselen in synagogen, het aangeven bij de heidenen, dat wil zeggen bij de Romeinse bezetters.

Eigenlijk is het een wonder op zich dat de eerste gemeenten die vervolging overleefd hebben. En niet alleen overleefd; als we de verhalen over de jonge kerk moeten geloven, groeide ze vanaf de beginjaren als kool. Er moet dus iets geweest zijn dat sterker was dan de angst voor vervolging. Er moet iets geweest zijn in het volgen van die Jezus van Nazareth, Jezus de Christus, dat alle risico’s de moeite waard maakte. De evangelisten vertellen ons dat mensen werden geraakt door zijn woorden, door zijn optreden. Dat hij diep bewogen werd door concrete menselijke ellende. Dat hij aan het einde liever onschuldig veroordeeld werd dan zich gewapenderhand te verdedigen. En, ten slotte, dat van hem verkondigd werd dat hij sterker was gebleken dan de dood. En misschien wel het sterkst van alles: dat mensen in hem God zélf herkend hadden. Het licht dat van zijn leven en sterven uitging, de hoop die uitging van zijn Opstanding, dat maakte het allemaal de moeite waard. Misschien kunnen wij dat, als gelovigen van de 21e eeuw, wel beamen. Ieder van ons zal ergens geraakt zijn door dat licht en die hoop. Door datzelfde licht en diezelfde hoop die de eerste christenen de moed gaf om desnoods zelf lijden en dood te ondergaan.

Net zoals die eerste christenen worden ook wij aangespoord om het Koninkrijk van God te verkondigen. Misschien met woorden, maar - denk ik - in de eerste plaats met daden. Mensen hoop geven als ze in een uitzichtloze situatie zitten. Opkomen voor mensen die in de hoek zitten waar de klappen vallen. Met onze manier van leven laten zien dat het menselijk bestaan niet bedoeld is om elkaar te haten, maar om elkaar lief te hebben. Tot je tegenstanders aan toe, zoals Jezus ons in de Bergrede voorhoudt. Het gaat er toch om dat mensen aan ons kunnen ervaren: die daar, die zijn van Christus. Dat ze dat kunnen ervaren aan hoe wij omgaan met mensen, met de wereld, met de schepping.

Ook dat zal soms tegenstand oproepen. Minder heftig dan bij de eerste christenen - waarschijnlijk. Maar ieder van ons zal wél die momenten kennen waarop je misschien heel erg aarzelt om te spreken of om in actie te komen. En toch: dat Koninkrijk Gods, dat verkondigd werd door Jezus en zijn leerlingen, dat vraagt om woorden en daden die ingaan tegen wat in onze wereld vaak zo ‘normaal’ is. Dat vraagt er om dat wij onze nek durven uitsteken. En dat is een spannende toestand. Misschien juist wel in deze tijd. Net als die tijd vlak na de verwoesting van de tempel, is deze tijd er één van crisis op meer dan één vlak. Niet alleen de Coronapandemie, die onze levens zo overhoop haalt. Het is ook een tijd waarin mensen de straat opgaan om hun verlangen uit te roepen naar een ándere wereld, een ander soort samenleving. Een wereld waarin de één niet langer wordt gezien als meer waard dan de ander, omdat de ene een witte huidskleur heeft en de andere een zwarte, een bruine, een gele of een rode. Waarin de één niet als vanzelfsprekend meer kans heeft op een baan of een woonst omdat hij een Europese achternaam heeft en geen Arabische of Afrikaanse. Een wereld waarin iemand met een zwarte huid en een Afrikaanse achternaam niet twee keer zo hard hoeft te knokken om zich te bewijzen; twee keer zo hard als iemand met een witte huid en een Europese achternaam. Verlangen naar een wereld die een thuis is voor ieder mens. Verlangen naar wat ik zou noemen: een wereld waarin God zich thuis voelt. Die ik zelfs zou noemen: een wereld die lijkt op het Koninkrijk van God. En als het u nu opgevallen is dat ik het eigenlijk allemaal in het negatief heb gezegd: niet dat, niet dat, niet dat…, dan komt dat omdat in onze wereld nou precies al die dingen aan de orde van de dag zijn. Dat we nog zó ver van dat Koninkrijk van God verwijderd zijn. Die uitspraken die Jezus in de bovenstaande evangelietekst doet, zijn geschreven als een voorspelling. Maar op het moment dat ze geschreven werden, waren die dingen al aan de orde van de dag, harde werkelijkheid. En dat zijn ze in wezen nu nóg.

Wie zich uitspreekt vóór die wereld zoals God die bedoeld heeft, wie zich daarvoor inzet, die zal nog steeds met die verdeeldheid te maken krijgen. Met onbegrip, vaak precies van de mensen die het dichtste bij je staan. Je eigen familie. De vrienden uit je jeugd. Maar als dat nu nog steeds geldt, mogen we er ook op vertrouwen dat die andere woorden van Jezus nog steeds gelden. Die woorden van vertrouwen. Dat God naast je staat, hoe dan ook. Wie zich uit liefde inzet voor een wereld die anders is, menselijker, dan de wereld waarin wij nú leven, die zal het ook niet aan liefde ontbreken. Soms in de meest onverwachte vormen, zoals God zich zo vaak in de meest onverwachte vormen openbaart.

De VPKB heeft zich ruim een week geleden als kerk uitgesproken tegen racisme. En daarmee doet ze wat ons als gemeenschap van navolgers van Jezus Christus te doen staat. Ook in deze moeilijke tijden, waarin we niet eens als gemeenschap bij elkaar kunnen komen, roept Christus ons om ons niet in ons vertrouwde wereldje op te sluiten. Precies nu in deze tijd, worden we ook opgeroepen om ons uit te spreken en ons in te zetten vóór die wereld zoals God die bedoeld heeft.

En dat begint al in onze eigen gemeenschap. Zelfs al hebben we zoveel verschillende plekken waar onze wieg heeft gestaan, of die van onze ouders of grootouders. Zelfs al spreken we - soms letterlijk - verschillende talen. Juist die verschillen mogen bij ons niet tot verdeeldheid leiden. Ik zou eerder zeggen: laten we precies die verschillen vieren. Laten we bereid zijn om ons door elkaar te laten bekeren. Daarmee bedoel ik: om van elkaar te leren hoe we dichter bij God kunnen komen. Om nog meer Christus na te volgen. Om zijn Geest nog meer te laten waaien. Waar de Geest waait, zo hebben we met Pinksteren gezien en gehoord, daar verstaan mensen elkaar, al spreken ze verschillende talen. En waar wij in eigen kring én in de wereld om ons heen het Koninkrijk Gods verkondigen - met daden en desnoods met woorden - daar zullen we stuiten op weerstand. Maar van één ding mogen we zeker zijn: daar zal het ons ook nooit aan liefde ontbreken. Daar zal het ons nooit aan God ontbreken. God die onze kleine vonkjes van hoop aanwakkert tot een vlam van vertrouwen, tot vurige liefde.

Heleen Ransijn

21/06/2020