• banner1

De uitzending van de leerlingen

De elf leerlingen gingen naar Galilea, naar de berg waar Jezus hun had onderricht, en toen ze hem zagen bewezen ze hem eer, al twijfelden enkelen nog. Jezus kwam op hen toe en zei: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ - Matteüs 28:16-20

Met de woorden “ga op weg en leer de wereld wat ik jullie opgedragen heb” zendt Jezus, in de slottekst van het Matteüsevangelie, Zijn leerlingen de wereld in en neemt Hij afscheid van hen. Nu ja, afscheid is het goede woord niet. Want wie die tekst aandachtig leest, ontdekt dat er van afscheid geen sprake is. Nergens klinkt een vaarwel of rollen er tranen. Integendeel, Jezus legt de nadruk op de blijvende verbondenheid, want als laatste woord zegt Hij tot z’n discipelen: “zie, Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.”

Geen afscheid dus aan het einde van de levensweg van Jezus op aarde. Integendeel. Maar wel een opdracht: de uitzending van Jezus’ leerlingen in de wijde wereld. De opdracht om op aarde te gaan werken aan de bouw van Gods Koninkrijk, aan Gods betere wereld. Een opdracht voor alle tijden, die vandaag ook aan ons en tot heel de wereldkerk gericht is: ga op weg, de wereld in. Op weg om daar, in ’t spoor van Jezus, een samenleving te stichten van liefde en verbondenheid, van recht en vrede. Om daar te werken aan een wereld zoals God die bedoeld heeft. Dat is de opdracht.

De bijbelschrijvers noemen dat “rentmeesterschap”. Niet te verwarren met eigenaarschap. Want in de Bijbel is niet de mens, maar God de Heer van het zijnde. De mens krijgt de aarde echter wel in beheer. Die opdracht klinkt al in Genesis:

En de Here God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren. - Genesis 2:15

Nu, bewerken, dat doen we wel met de aarde. Maar bewaren we haar ook? De vraag stellen is haar beantwoorden. De aarde kreunt en zucht aan alle kanten. Op veel plaatsen heerst bloedige strijd en onrecht. Vluchtelingenschap en machtsmisbruik. Roofbouw en het kappen van oerwouden. Economische uitbuiting van mens, dier en natuur. Sommigen stellen zelfs dat die eigenmachtige en hebzuchtige wijze van handelen, mogelijk iets te maken heeft met het ontstaan van het coronavirus en mogelijk van toekomstige andere killervirussen. Nu, hoe dat ook zij, wat zullen zij zeggen, onze kindskinderen, als zij in de geschiedenisboeken lezen dat in onze eeuw van geglobaliseerde economie en hoogstaande techniek, niettemin per jaar dertig miljoen mensen de hongerdood stierven. Als zij in een verpeste dampkring adem moeten halen? Als zij nog slechts in de plaatjesboeken van Anton Pieck een idee kunnen krijgen van wat “winter” inhield? Kortom, wij, met al onze vlijt die wij echter met voorrang in dienst gesteld hebben van economie en geldelijke bedrijvigheid, wij bewerken de aarde wel, maar het bewaren en behoeden van de aarde laten we na.

En zo is dus wel duidelijk dat die opdracht om op weg te gaan en een aarde te bouwen naar het model zoals Jezus Zijn leerlingen voorhield, geen overbodige luxe is, maar zeker ook geen garantie is dat die tocht moeiteloos zal verlopen. De Bijbel is geen gids, laat staan paspoort, waarmee je onmiddellijk het Beloofde land kunt betreden. Het is eerder een reisboek met goede raad als je het spoor bijster bent geraakt, of als je naar de weg zoekt wanneer je verdwaald bent. Want onze wereld is warempel het Beloofde land niet. Integendeel: het is een oord vol onvrede en strijd, angels en klemmen, dood en duisternis.

Iets terug in het Matteüsevangelie, zegt Jezus het zo:

Bedenk wel, ik zend jullie als schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif. - Matteüs 10:16

Onze wereld wordt daarbij dus getypeerd als, zeg maar, een wolvenoord. Als een gebied vol roofdieren waar de sterkste overleeft en de zwakste ten onder gaat.

Wat bedoelt Jezus met die verwijzing naar wolven? De roofbouw en uitbuiting van de aarde is al even genoemd. Ook die zijn onmiskenbaar een gevolg van de menselijke wolvenaard. Maar mogelijk bedoelde Jezus daar misschien de dictators uit zijn eigen tijd mee? De machtswellustige keizer Augustus of de bloeddorstige koning Herodes en zijn trawanten? Vast wel.

En ook vandaag kunnen we die wolven zonder veel moeite aanwijzen op het landelijke dan wel het wijde wereldtoneel. De populisten die zogenaamd met snelle goedkope oplossingen aankomen, die echter op lange termijn peperduur zijn. De ordehandhavers die onderscheid maken tussen witte en zwarte of gekleurde mensen. De machthebbers, presidenten en staatshoofden die deze discriminatie actief of passief toelaten. De sterksten op aarde die de zwaksten overheersen. En, niet te vergeten, die wolven zitten ook in onszelf. Want christen-zijn van naam is allerminst een garantie dat wij ons niet als wolf gedragen. Dat we niet discrimineren of racistisch zijn of populistisch of seksistisch of vul maar in…

Nee, voor alle duidelijkheid: als Jezus tot Zijn leerlingen zegt: “ik zend u als lammeren of schapen”, dan zegt Hij daar niet mee dat zij geen roofdieren zouden zijn, maar dan is dat een opdracht. “Ik zend u weg met de opdracht een schaap, een lam te zijn.” Kortom: dus niet als hyena’s om elkaar op te vreten. Niet als wolven op jacht naar buit, niet zoals dat Romeinse gezegde stelt: homo hominis lupus (de ene mens is voor de ander een wolf), maar als goedmoedige schapen en lammeren.

Dat wil ook zeggen: als kuddedieren. Nu klinkt dat voor de moderne mens uit het ik-tijdperk niet bijzonder complimenteus. Bij het begrip kuddedier denken we meteen aan kritiekloos schaapachtig kuddegedrag. Maar wie de levensweg van de in vele opzichten uiterst kritische Jezus overziet, kan toch bezwaarlijk opperen dat Hij dat zou propageren. Integendeel. In het bijbelse beeld van de schaapskudde gaat het niet om domme en kritiekloze volgzaamheid, maar om het aspect van gemeenschap. We worden door Jezus aangesproken als gemeenschapsdieren. Dat wil zeggen: als sociale wezens. Als mensen die op elkaar zijn aangewezen. Als mensen die geroepen en bestemd zijn tot onderlinge naastenliefde en medemenselijkheid.

En ja, verder ook nog: als dieren die niet hun eigen goddelijke gang gaan, maar die zich oriënteren op een Herder met een hoofdletter. Nu klinkt dat misschien wat vroom als je dat zo plompverloren zegt. Toch behoort dat tot de essentie van het gemeente-zijn. We gaan in de kerk niet louter bij onszelf te rade, en bij onze eigen wijsheden in de leer, maar we oriënteren ons aan de Wegwijzer met een hoofdletter. Aan de weg die Jezus ons in deze wereld gewezen heeft.

Let wel, daarbij wordt ons niet gevraagd om dan maar ons verstand in te leveren. Integendeel. Jezus voegt er zelfs onmiddellijk aan toe: wees dan scherpzinnig als de slangen. Kortom, loop niet schaapachtig achter de eerste de beste populist of nepherder aan, maar gebruik je verstand. En tenslotte haalt Jezus er ook nog de duiven bij. Wees dan net zoals de duiven. U weet wel: dat zijn de dieren die in de Bijbel bij uitstek gelden als het symbool van de vrede. Duiven hebben in de Bijbel, denk maar aan Noach en zijn ark, de snavel vol van de vrede. De duif die Noach uitzond om te midden van een doodse en dreigende ondergelopen wereld, toch onbedreigd en vredig land te vinden, kwam terug met een vers Olijfblad in zijn bek, ten teken dat dat land, ondanks de doodse vloed, dus ondanks de ellende van de wereld, toch bestond.

En zo zend de Goede Herder ook ons uit, opdat wij als gemeenschap bouwen aan dat komende Vrederijk van God, om eenmaal, net als die duif van Noach, ondanks alle dood en duisternis, toch dat nieuwe land te zullen vinden.

ds. Ernst Veen

06/06/2020