• banner1

Nieuw leven

Na verloop van veertig dagen deed Noach het venster dat hij in de ark had aangebracht open en liet een raaf los. Deze bleef heen en weer vliegen totdat de aarde droog was. Vervolgens liet hij een duif los om te zien of het water verder gedaald was. Maar de duif kon nergens een plekje vinden waar ze kon neerstrijken om te rusten en kwam bij hem terug in de ark, want overal op de aarde was nog water. Hij stak zijn hand uit, pakte haar en nam haar weer bij zich in de ark. Hij wachtte nog zeven dagen en liet de duif toen opnieuw los. Tegen de avond kwam ze bij hem terug - met een jong olijfblad in haar snavel. Toen wist Noach dat het water op de aarde verder gedaald was. Weer wachtte hij zeven dagen en daarna liet hij de duif nogmaals los. Ze kwam niet meer bij hem terug. In het zeshonderdeerste jaar van Noachs leven, op de eerste dag van de eerste maand, was het water van de aarde verdwenen. Noach maakte het dak van de ark open en keek rond - de aarde was drooggevallen. Op de zevenentwintigste dag van de tweede maand was de aarde droog. Toen zei God tegen Noach: 'Ga de ark uit, samen met je vrouw, je zonen en de vrouwen van je zonen. Laat ook alle dieren die bij je zijn naar buiten gaan: vogels, vee en alles wat op de aarde rondkruipt. Ze moeten weer vruchtbaar zijn en talrijk worden en de aarde bevolken.' Hierop ging Noach naar buiten, samen met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen. Ook alle dieren gingen de ark uit, soort bij soort, alle vogels, en alles wat op de aarde rondkruipt. | Noach bouwde een altaar voor de Heer; daarop bracht hij brandoffers van al het reine vee en alle reine vogels. De geur van de offers behaagde de Heer, en hij zei bij zichzelf: Nooit weer zal ik de aarde vervloeken vanwege de mens, want alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht. Nooit weer zal ik alles wat leeft doden, zoals ik nu heb gedaan. | Zolang de aarde bestaat, zal er een tijd zijn om te zaaien en een tijd om te oogsten, zal er koude zijn en hitte, zomer en winter, dag en nacht – nooit komt daar een einde aan. - Genesis 8:6-22

Aan het begin van het verhaal uit Genesis zitten Noach, zijn familie en al die dieren in de ark, aan het einde van de zondvloed. Het heeft dan veertig dagen geregend, en daarna was de aarde nog eens honderdvijftig dagen lang met water bedekt. Dan pas begint het water weer te zakken en, als ik het goed berekend heb, gaan er nog eens bijna tachtig dagen overheen vóórdat de toppen van de bergen zichtbaar worden. Zeker weet ik het niet, want de tijdsaanduidingen duikelen over elkaar heen in het gedeelte voorafgaand aan ons verhaal van vandaag. En dan - horen we als wij het verhaal binnenkomen - dan duurt het nog eens veertig dagen voordat Noach zijn eerste verkenner, een raaf, loslaat. Ik ben dan zelf allang de tel van de dagen kwijt. Dit is geen quarantaine meer, dit is bijna letterlijk quarantaine in het kwadraat.

Het goede nieuws in dit verhaal is in ieder geval: het einde van die quarantaine in het kwadraat van Noach is in zicht. En wat mij dan opvalt: dan nóg neemt hij de tijd. Noach neemt de tijd om te zien of het al de goede tijd is om de ark te verlaten. Hij pakt het zorgvuldig aan. Eerst laat hij een raaf naar buiten. Volgens een oude Joodse bron wordt de raaf als eerste uitgezonden omdat hij een aaseter is. Als de raaf niet terug zou komen, zou dat betekenen dat het water al genoeg gezakt was om dode lichamen op de aardbodem te vinden, waarvan de vogel zich zou kunnen voeden.

De duif, die daarna uitgezonden wordt, die wordt in totaal drie keer uitgezonden - steeds met een tussenpoos van zeven dagen - voordat ze niet meer terugkomt. De tweede keer keert ze terug met een jong olijfblad in haar snavel. Een beeld dat voor ons nog steeds symbool staat voor vrede. Maar na nog eens zeven dagen is het water zóver gezakt dat er weer leven mogelijk is, en de duif keert niet meer terug. Intussen zijn er na die veertig dagen dat Noach gewacht heeft, dus nog eens drie keer zeven dagen verstreken. En dan duurt het nóg bijna twee maanden vóórdat Noach, zijn familie en alle dieren de ark verlaten om de aarde weer te bevolken. Er is tijd voor nodig, véél tijd, voordat hun quarantaine in het kwadraat helemaal afgelopen is. En als ze dan naar buiten komen, dan lijkt het op een nieuwe wereld. Een nieuwe schepping. God zegt in het verhaal, met woorden die onmiskenbaar doen denken aan het scheppingsverhaal: de dieren moeten weer vruchtbaar zijn en talrijk worden, en de aarde bevolken.

Toch is de nieuwe aarde niet dezelfde als de oude. God zelf lijkt te beseffen dat het tijd is voor een andere omgang met zijn schepping. Nooit weer, zo zegt hij, zal ik alles wat leeft doden. Hij lijkt ook te zeggen: de mens is onverbeterlijk tot het kwade geneigd, maar ik laat daar nooit meer de hele aarde voor boeten. God neemt afscheid van zijn rol als veroorzaker van wereldwijde rampen. Ondanks alles krijgt de aarde en daarmee de mens een nieuwe kans tot leven. Met de nadruk op ‘nieuw’: het is niet zomaar een voortzetting van het oude.

Zo ook kan of mag het nieuwe leven na de Opstanding van Jezus Christus, niet zomaar een voortzetting zijn van het oude leven.

Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar; ze hadden de deuren afgesloten, omdat ze bang waren voor de Joden. Jezus kwam in hun midden staan en zei: 'Ik wens jullie vrede!' Na deze woorden toonde hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren blij omdat ze de Heer zagen. Nog eens zei Jezus: 'Ik wens jullie vrede! Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.' Na deze woorden blies hij over hen heen en zei: 'Ontvang de heilige Geest. Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.' - Johannes 20:19-23

Het nieuwe leven draagt wel de tekenen van het oude: Christus draagt voor altijd de wonden van zijn kruisiging. De aarde zal ook altijd de wonden dragen van de grote vloed. Niettemin gaat het om nieuw leven. God sluit in het volgende hoofdstuk van het boek Genesis een verbond met alle levende wezens. Christus draagt zijn eigen macht over aan zijn leerlingen: de macht om zonden te vergeven, dat wil zeggen: om mensen steeds weer de kans te geven om een nieuw begin te maken. Na de nacht van de zondvloed en de nacht van het lijden en dood van Jezus Christus, is er een nieuwe dag gekomen, een nieuwe kans tot werkelijk leven.

Onze eigen quarantaine is voorlopig nog niet afgelopen, en wat er hierna komt is uiterst onzeker. Net als bij Noach zal het tijd vragen; niemand weet hoeveel tijd. Maar ook in deze tijd vieren we de opstanding uit de doden, het nieuwe begin dat Jezus met en voor ons maakte. En misschien zijn er al tekenen van dat nieuwe begin, als wij ze maar willen zien. Tekenen van een nieuw begin waarin juist die mensen gewaardeerd worden, die de samenleving draaiend houden. Niet de mensen van het grote geld, maar de mensen die ook in crisistijd zorgen dat het leven doorgaat. Dat de zorg voor zieken doorgaat. Dat de zorg voor andere kwetsbare mensen doorgaat. Dat we eten op ons bord hebben, dat onze steden en dorpen leefbaar blijven. Tekenen van een nieuw begin waarin ‘naar elkaar omzien’ niet alleen iets wordt dat in crisistijd gebeurt, maar een basis voor ons leven samen in dit land. Ik hoop en bid dagelijks om zo’n nieuw begin. Ik vertrouw, tegen alle hopeloosheid in, op dat koppige “en tóch!” van Pasen, toen het ondenkbare gebeurde. Ik houd me vast aan de woorden die op initiatief van de protestantse kerk in het Nederlandse Heerenveen de wereld in gestuurd zijn: houd moed en heb lief! Het zijn woorden zoals Noach ze tot zijn familie gesproken kon hebben tijdens die eindeloos lijkende grote vloed. Het zijn woorden zoals Jezus ze misschien wel gesproken heeft tot zijn leerlingen, toen hij weer aan hen verscheen na zijn opstanding. Het zijn woorden die ons gaande kunnen houden in deze vreemde tijden, levend tussen hoop en vrees. Die ons gaande kunnen houden in deze tijden van uitzien naar een nieuw begin.

Heleen Ransijn

19/04/2020