• banner1

Genezing van de blindgeborene

Het volk dat in duisternis ronddoolt, ziet een schitterend licht. Zij die in het donker wonen, worden door een helder licht beschenen. – Jesaja 9:1

“Het volk dat in duisternis ronddoolt…” Met die eeuwenoude woorden van Jesaja zouden we vandaag, na de wereldwijde aardschok die het coronavirus heeft veroorzaakt, de situatie van de wereldbevolking kunnen typeren. De epidemie is tot pandemie geworden en ook daarnaast kost het zichtbaar weinig moeite om overal ‘tekenen van duisternis’ aan te wijzen: geo-politieke spanningen, oorlogen, vluchtelingenstromen, klimaatopwarming, stijging van de zeespiegel, branden in grote delen van Australië en het Amazonewoud, extreem ongelijke verdeling van aardse rijkdommen…

En naast de opmars van de pandemie lijkt ook de opmars van angst en vrees deze dagen te regeren. Mensen beginnen massaal te hamsteren, en al even massaal worden berichten gedeeld van schrikwekkende coronastatistieken en -reportages.

“Vannacht kon ik er niet van slapen” liet een collega-leerkracht mij deze week weten, nadat zij een niet zachtzinnig, noch mis te verstaan artikel had gelezen over het nieuwe griepvirus dat als een losgebroken tsunami op ons afstormt. Toevallig had ik hetzelfde artikel gelezen en of het nu kwam door de inhoud (ongetwijfeld) of door het late uur (niet verstandig: in bed, vlak voor het slapen!), ook mijn slaperigheid was daarbij spoorslags verdwenen. Klaarwakker begon het in mijn hoofd te spoken: … ja, sommige van mijn familieleden behoren, net als ikzelf, tot de risicogroep; ja, ik loop al naar de zeventig, en heb een astmaverleden en chronische hoge bloeddruk; ja, de coronastatistieken schieten de lucht in; ja, er is nog geen vaccin; ja, het virus is extreem besmettelijk; ja, ik moest daarstraks tot mijn schrik een paar keer hoesten en ja, ik ben al bang voor die kriebel in mijn keel… enzovoort. Het spook van de angst begon zijn staart te roeren.

Nee, dit wordt geen aansporing om niet bang te zijn. Bang zijn we vrijwel allemaal. En niet zonder reden! Daarbij komt dat angst tot ons wezen behoort. Het maakt ons alert voor allerlei gevaar. Het verhaal van de genezing van de blindgeborene in de Bijbel, is echter wel een aansporing om naast het duister, ook oog te krijgen voor het licht. Voor tekenen van hoop en uitkomst. Anders wordt niet alleen het object van de angst, het dreigende gevaar, maar ook de angst zelf een probleem. Dan gaat de angst als het ware als een besmettelijk virus zichzelf vermenigvuldigen.

In het voorbijgaan zag Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was. Zijn leerlingen vroegen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ ‘Hij niet en zijn ouders ook niet,’ was het antwoord van Jezus, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden. Zolang het dag is, moeten we het werk doen van hem die mij gezonden heeft; straks komt de nacht en dan kan niemand iets doen. Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht voor de wereld.’ Na deze woorden spuwde hij op de grond. Met het speeksel maakte hij wat modder, hij streek die op de ogen van de blinde en zei tegen hem: ‘Ga naar het badhuis van Siloam en was u daar.’ (Siloam is in onze taal ‘gezondene’.) De man ging weg, waste zich, en toen hij terugkwam kon hij zien. - Johannes 9:1-7

Om zo te zeggen: als we enkel het duister zien en blind zijn voor het licht (wat immers de toestand was van die blindgeborene), wordt het donker in onszelf en om ons heen. En misschien kan dat vandaag ook het bruggetje zijn tussen onze evangelietekst en de huidige actualiteit. Want hetzelfde doet zich ook bij ons voor. We zien dat bv. aan de manier waarop wij naar het nieuws kijken. Slecht nieuws heeft meer onze aandacht dan goed nieuws. En van slecht nieuws zijn we eerder in verwarring dan dat goed nieuws ons kan opbeuren. Anders gezegd: de duisternis laten we meer toe dan het licht.

Dit is opnieuw geen pleidooi om slecht nieuws dan maar te negeren, dat zou in de gegeven omstandigheden bovendien heel dom zijn, maar wel om ook de tekenen van hoop te zien. Ook in deze tijd van de coronapandemie zijn die tekenen van hoop er wel degelijk.

Kijk naar de zorgverleners, hoe zij zich, met inzet van hun eigen kwetsbaarheid, toch volledig inzetten voor de zieken. Kijk naar hoe in buurten en families, jongeren zich aanbieden aan ouderen om noodzakelijke boodschappen te gaan doen. Kijk hoe mensen in deze tijden verbroederen en verzusteren. Kijk hoe heel onze verdeelde samenleving ineens één gezamenlijk doel nastreeft: het overleven van deze coronacrisis. Kijk hoe overal in de wereld, niet zelden tegen het eigenbelang van de farmaceutische industrie in, wetenschappers hun krachten bundelen om medicijnen te ontwikkelen. En het is verschrikkelijk dat er mensen aan sterven, maar er zijn ook de vele talrijke verhalen van herstel en genezing.

Nu, dit alles naar aanleiding van het verhaal van de genezing van de blindgeborene. Een verhaal dat ons vertelt, niet dat de duisternis niet bestaat, maar wel dat wij vaak blind zijn voor het licht.

En de evangelist gaat nog veel verder dan dat. Bij hem gaat het vooral ook om aandacht te vragen voor het Licht met een hoofdletter. Hoe zit dat?

Welnu, het verhaal van de genezing van de blindgeborene zou men het verhaal kunnen noemen van de mens die tastend en zoekend zijn weg moet vinden in een wereld vol donkerheid. Is dat niet de condition humaine? Die blindgeborene, dat zijn wijzelf. Kortom: zo is de situatie van de mens. Zo zijn wij geboren. Hoezeer is de mens immers niet met blindheid geslagen als het gaat om het zoeken naar de zin van ons leven? Hoezeer wandelt de mens van alle tijden niet in duisternis als het gaat om het vinden van ware vrede en ongebroken menselijkheid? Als blindgeborenen tasten wij in dat duister en zoeken vergeefs naar het licht dat het duurzaam kan uithouden in de aardse duisternis die zich immers altijd en overal weer laat gelden. Dat is onze situatie.

De evangelist Johannes vertelt ons echter een ander verhaal. Dat begint al in de inleiding van zijn evangelie. Heel uitdrukkelijk schrijft hij daar de woorden: “het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen” (Johannes 1:5). Johannes heeft het daar over een licht dat niet door de duisternis gegrepen en aangetast wordt. Een licht sterker dan alle duisternis. En van diezelfde evangelist lezen we dan iets verderop in zijn evangelie het verhaal van de blindgeborene. Van de mens die van aanvang af in duisternis ronddoolt. En dan zien we in dat verhaal die beginwoorden uit de inleiding van het Johannes-evangelie waar worden. Jezus geneest de blindgeborene: het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het licht niet gegrepen, niet kunnen tegenhouden.

Daar, in die vertelling van het Johannes-evangelie, laat Jezus aan de mens die van aanvang af in duisternis wandelt, aan ons, het licht zien. Het Licht met een hoofdletter welteverstaan. Het Licht dat er, naar het bijbels getuigenis, van aanvang af altijd al was, maar voor ons onzichtbaar en verborgen. Het licht van God wiens allereerste woorden in het boek van het begin, in Genesis, luiden: “Er zij licht, en het werd licht” (Genesis 1:3). De evangelist Johannes zet die Godspraak als het ware in scène.

In de beeldtaal van Johannes geneest de blinde, sterker nog: de blindgeborene. Blinder kan niet. Duisterder kan niet. Maar toch geldt ook voor hem: er zij licht en het werd licht. Samenvattend kunnen we zeggen dat dit verhaal illustratief is voor de situatie van de mens: de duisternis van de wereld, de nood en de gebrokenheid, gesymboliseerd in de blindgeborene, omgeeft de mens vanaf z’n geboorte, om niet te zeggen: van de wieg tot het graf. Maar in dit verhaal wordt die heerschappij van de duisternis onderuit gehaald. De blindgeborene krijgt, in de beeldtaal van Johannes, door de hand van Jezus het licht te zien

Het is, binnen de lijn van dit Johanneïsche verhaal, vervolgens dan ook veelzeggend dat die blindgeborene, vanaf het moment dat hij ziende is geworden (lees: oog heeft gekregen voor het Licht), tevens begint te groeien in zijn geloof en godsvertrouwen. Aanvankelijk aarzelend, hij moet nog even aan al dat licht wennen, maar tenslotte knielt hij voor Jezus en zegt: “Heer, ik geloof.”

Kortom: de genezing van blindheid, anders gezegd: de bevrijding uit de duisternis betekent hier: oog krijgen voor het Licht met een Hoofdletter. Het Licht van God waarvan Jesaja getuigde: “Het volk dat in duisternis ronddoolt, ziet een schitterend licht.” Of het nog eens met Johannes te zeggen: “Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen”.

Amen.

Ds. Ernst Veen

22/02/2020